Onderzoek van aardewerk
Wanneer een archeologisch onderzoek in het veld is afgerond, moeten de onderzoeksgegevens worden uitgewerkt. Eén van de aspecten bij de uitwerking is het determineren en analyseren van aardewerk. Ondanks moderne dateringsmethoden als 14C-datering en dendrochchronolgie is aardewerk nog steeds het belangrijkste dateringsmiddel in de archeologie. Het aardewerkonderzoek heeft een aantal doelstellingen. In de eerste plaats is het van belang een datering te geven van de bewoningsresten. Daarnaast kan op basis van de samenstelling van het aardewerkcomplex een vergelijking worden gemaakt met andere aardewerkcomplexen uit deze periode. Hierdoor kunnen mogelijk conclusies worden getrokken over handelsnetwerken en de materiele welstand van de gebruikers van het aardewerk.
De specialist bekijkt het aardewerk, waarvan doorgaans alleen fragmenten bewaard zijn gebleven. Hierbij onderzoekt de specialist onder andere het baksel, oppervlak en magering, de maakwijze, de vorm en de versiering. Door te letten op een combinatie van deze factoren of soms één kenmerkende factor kan de aardewerksoort worden herkend en gedateerd. Eventueel kan de plaats van herkomst en functie van aardewerken voorwerpen worden vastgesteld.
In Nederland is aardewerk in gebruik vanaf het Neolithicum (ca. 5300 v.Chr.) tot heden. Binnen BAAC heeft specialisten met kennis van het oudste aardewerk uit de prehistorie tot en met de Romeinse tijd (450 n.Chr.) en vanaf de volle middeleeuwen (ca. 900 n.Chr.) tot en met de nieuwe tijd (ca. 1900). Aardewerk dat afkomstig is van BAAC-onderzoek wordt meestal in eigen huis gedetermineerd. Daarnaast wordt door de specialisten ook aardewerk bekeken voor andere archeologische bedrijven en gemeenten die niet over de nodige expertise beschikken.





