Proefsleuven bij de Duitse School te Budel
Inleiding
Vanwege nieuwbouwplannen op het terrein van de voormalige 'Duitse School' in Budel heeft BAAC bv van 23 tot 27 april 2007 en op 11 en 12 februari 2008 een inventariserend veldonderzoek (IVO) door middel van proefsleuven uitgevoerd. Daarbij zijn resten aangetroffen die dateren vanaf de vroege ijzertijd (800-500 v. Chr.) tot en met de laat-Romeinse tijd (270-450 na Chr.) of de vroeg-Merovingische periode (ca 450-525 na Chr.)
Landschap
Het onderzoeksgebied is gelegen aan de rand van het dekzandplateau waarop Budel is gelegen. Aan de oostzijde van deze hoogte stroomde tot de ruilverkaveling het beekje de Moezel, waaraan ook de dorpskern van Budel is gelegen. Op een ruimere afstand ten westen van het onderzoeksgebied stroomt de Buulder Aa. Het terrein ten noorden van het onderzoeksgebied is laag gelegen. Het staat bekend onder de naam Wolfswinkel. Tijdens booronderzoek in 2007 is hier op sommige plaatsen veen aangetroffen.(1) In het terrein is duidelijk zichtbaar dat het onderzoeksgebied hoger is gelegen dat de terreinen ten noorden en westen.
Het onderzoeksgebied behoorde tot de akkers van Budel. Op het terrein is in de loop van de tijd een dik esdek opgebracht. Archeologische resten raakten hierdoor afgedekt en werden zo beschermd tegen bodemverstoringen.
Sporen en structuren

Figuur 1: De tijdens de proefsleuven aangetroffen structuren.
Tijdens het onderzoek zijn 467 sporen aangetroffen. Hierin zijn 22 structuren herkend, die met een verschillende mate van zekerheid kunnen worden gereconstrueerd (figuur 1). De oudste structuur (10) is vergelijkbaar met structuren die in Riethoven, Sint-Oedenrode, Someren en Oss zijn opgegraven. De vele dakdragende palen en het grote aantal kuilen binnen de structuur doen vermoeden dat deze uit de vroege ijzertijd (800-500 v. Chr.) dateert. Een volgend huis (structuur 17) behoort waarschijnlijk tot het zogenaamde 'Haps-type'. Dergelijke huizen worden gedateerd in de midden of late ijzertijd (500 – 12 v. Chr.)

Figuur 2: Structuur 17, een zogenaamd Haps-huis.
Uit de vroeg- en midden-Romeinse tijd (12 v. Chr. – 270 na Chr.) dateren maar liefst negen structuren. Op grond van de voorlopige interpretatie lijkt sprake te zijn van een oriëntatie rond een centraal plein. De bekende Romeinse nederzettingen met een centraal plein lijken alle een relatief belangrijke positie in de (micro)regio waarin ze zijn gelegen in te nemen. Dergelijke nederzettingen zijn bijvoorbeeld bekend uit Hoogeloon-Kerkakkers, Breda-West en Oss-Westerveld. In alle drie de gevallen was deze nederzetting de grootste in de directe omgeving. De nederzetting Hoogeloon groeide zelfs uit tot een villa.

Figuur 3: Structuur 3, een Romeins huis met verdiept stalgedeelte of potstal.
Het Romeinse vondstmateriaal wijst op een lange bewoningsduur. Naast relatief veel handgevormd aardewerk uit de periode 50 v. Chr. – 100 na Chr. is terra rubra uit de eerste helft van de eerste eeuw na Chr. aangetroffen. Aan het andere eind van deze periode staan enkele scherven van een wrijfschaal en een bord die uit de derde eeuw na Chr. dateren.
Over de laat-Romeinse tijd en de vroeg Merovingische periode (270-525 na Chr.) is nog zeer weinig bekend. Uit deze periode zijn zeer weinig nederzettingen bekend. Hoewel de laatste jaren onze kennis van deze nederzettingen sterk is toegenomen bestaan er ook nog veel vragen. In Budel zijn drie gebouwen uit deze periode herkend. Ze concentreren zich in het zuidwestelijke deel van het onderzoeksgebied.
Conclusies
Op het terrein van de Duitse School in Budel zijn resten aangetroffen van bewoning vanaf de vroege ijzertijd. Of het terrein tot aan de Romeinse tijd continu bewoond is geweest, is nog niet duidelijk, maar het terrein is in ieder geval in de midden of late ijzertijd nogmaals aangedaan. Vanaf het laatste deel van de late ijzertijd of de vroeg-Romeinse periode wordt het terrein tot in de derde eeuw na Chr. continu bewoond. Tussen 270 en 525 na Chr. volgt dan nog een, vermoedelijk vrij korte, laat-Romeinse bewoningsfase. De aangetroffen resten zijn om meerdere redenen bijzonder te noemen. Bewoning uit de laat-Romeinse periode is door de grote zeldzaamheid sowieso een belangrijke vondst. Daarnaast is de uitleg van de Romeinse bewoning rond een plein en het feit dat dit de eerste Romeinse nederzetting is die in Budel onderzocht wordt van belang. Tenslotte is ook de bewoningsduur van het terrein van belang. Hierdoor is het mogelijk om een beeld te krijgen van de ontwikkeling van de bewoning over circa 1000 jaar. Als laatste geeft de aanwezigheid van vermoedelijk goed geconserveerde veenresten vlakbij het onderzoeksgebied ons de mogelijkheid om het landschap te reconstrueren aan de hand van in het veen gevangen pollen.
Vervolg
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek heeft BAAC geadviseerd dat de aangetroffen vindplaatsen 'behoudenswaardig' zijn. Dit advies is door de gemeente Cranendonck overgenomen. Omdat de gemeente heeft besloten dat bouwplannen toch doorgang moeten vinden is besloten om de resten ex situ te behouden. Dit betekent in gewoon Nederlands dat het terrein zal worden opgegraven. Deze opgraving zal worden aanbesteed en op het moment van schrijven is nog niet bekend wie deze opgraving zal gaan uitvoeren. De gemeente Cranendonck kan in ieder geval een interessante opgraving tegemoet zien.
Literatuur
- Exaltus, R./J. Orbons, 2007: Budel-Noord, Gemeente Cranendonck, Inventariserend Veldonderzoek, Verkennende en (deels)karterende fase, Maastricht (ArcheoPro Archeologisch Rapport Nr 705).
- Dyselinck, T., 2008: Budel, Duitse School, inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven, 's-Hertogenbosch (BAAC-rapport A-08.0030).
Noten
(1). Exaltus/Orbons 2007.
Martijn Bink





