De burcht van de heren van Rode
(St.-Oedenrode)

De eerste resultaten van het archeologisch onderzoek

In het centrum van Sint-Oedenrode vonden tot het voorjaar van 2006 spectaculaire opgravingen plaats naar de resten van de burcht van de heren van Rode. Het was voor het eerst dat op grote schaal de overblijfselen van een residentie van een llde- en 12de-eeuwse regionale machthebber archeologisch onderzocht konden worden. Ook van de latere ontwikkelingen op het terrein kon een goed beeld worden verkregen. Dit artikel beschrijft in grote lijnen de eerste resultaten van het onderzoek. Sint-Oedenrode ligt tussen 's-Hertogenbosch en Eindhoven op een hoge zandrug, langs de Dommel. De oudste kern van het huidige dorp wordt gevormd door de Markt en de Heuvel. Ten zuiden hiervan bevindt zich een terrein waar onder meer de vroeg 20ste-eeuwse Martinuskerk, het kerkhof en kleinschalige bebouwing aan de Kerkstraat liggen. Laatstgenoemde bebouwing heeft inmiddels plaats gemaakt voor een grootschalig nieuwbouwcomplex. In de 11de en 12de eeuw was het latere Sint-Oedenrode een belangrijke plaats, waar het machtscentrum lag van de heren van Rode die in de regio de scepter zwaaiden. De oudste vermelding van de Van Rodes dateert van rond het jaar 1100 toen Arnold van Rode hier aan de macht was. Gedurende de volgende eeuw wordt er nog enkele malen melding gemaakt van een telg uit het geslacht van Rode. Over de Van Rodes weten we eigenlijk nog maar zeer weinig. In ieder geval is het duidelijk dat de leden van deze familie in hoog aanzien stonden. Bovendien hadden ze overal hun contacten, verspreid over een groot gebied. Een van de familieleden heeft het op een gegeven moment tot bisschop van Osnabrück gebracht. Hoe groot het territorium was van Arnold van Rode weten we niet, evenmin als de oorsprong van zijn macht en zijn bezit. Wat wel uit de bronnen blijkt is dat het machtscentrum in het huidige Sint-Oedenrode lag. Hoe dit centrum eruit zag, weten we niet. In bronnen uit later eeuwen worden gebouwen vermeld die stonden op de plaats van de voormalige burcht en op grond daarvan weten we dat die in de omgeving van de Kerkstraat gelegen moet hebben.

Op een kaart van Van de Weijer uit 1782 staan in dit gebied diverse grachten afgebeeld, waarvan verondersteld wordt dat ze een overblijfsel vormen van de omgrachting van het voormalige burchtterrein. Door de aanwezigheid van de burcht van de heren van Rode was Sint-Oedenrode in de 11de en de eerste helft van de 12de eeuw een centrum van wereldlijke en politieke macht. En aangezien steden als Eindhoven en 's-Hertogenbosch in die periode nog niet bestonden, was het in die tijd één van de belangrijkste plaatsen in het huidige Noord-Brabant. Dit werd nog eens versterkt door een religieuze centrumfunctie die de plaats vervulde. Volgens de legende was in 726 de heilige Oda gestorven in Sint -Oedenrode. Oda was een Schotse maagd die blind was geworden. Door een bedevaart naar het graf van Sint Lambertus te Luik kreeg zij haar gezichtsvermogen weer terug. Eenmaal terug in haar vaderland dreigde ze uitgehuwelijkt te worden. Dit weigerde ze echter en ze vluchtte weer naar de Lage Landen, waar ze uiteindelijk in Sint-Oedenrode terechtkwam. Ze woonde naar verluidt op een bergje dat later het Odabergje zou gaan heten. Na haar dood werd haar graf al snel door pelgrims bezocht en in 1103 werd Oda officieel door de kerk erkend als heilige. In de 12de eeuw blijkt er in Sint-Oedenrode ook een kanunnikenkapittel aan de kerk verbonden te zijn.

Van dit eens zo belangrijke centrum was tot de opgravingen van 2003-2006 nauwelijks iets bekend. De voorgenomen nieuwbouw van een groot winkelcentrum en appartementencomplex vormde aanleiding om archeologisch onderzoek uit te voeren op het terrein, waar de voormalige burcht werd verondersteld. In 2003 deed zich daartoe de eerste gelegenheid voor. De eerste sleuven waren meteen raak. Er kwamen diverse grachten en tal van paalsporen uit de volle middeleeuwen tevoorschijn. Omdat een groot deel van het burchtterrein bebouwd zou worden en vergraven voor de aanleg van een ondergrondse parkeerkelder werd besloten om het gehele terrein, voor zover dat bedreigd was, op te graven. De westelijke helft is in 2003 onderzocht. Eind 2005 werd begonnen aan de tweede opgravingscampagne, die in het voorjaar van 2006 kon worden afgerond. Het onderzoek werd bekostigd door de gemeente Sint-Oedenrode, de provincie Noord-Brabant en het rijk en werd uitgevoerd door BAAC uit 's-Hertogenbosch.

Bij het onderzoek is een massa aan sporen gevonden waar op dit moment nog geen volledige analyse van heeft plaatsgevonden. Enkele sporen en structuren springen er echter duidelijk uit en zullen hieronder behandeld worden. Het is duidelijk dat de sporen verschillende fasen van de burcht vertegenwoordigen, maar wat precies gelijktijdig is, is nog onduidelijk. De oudste middeleeuwse vondsten betreffen scherven Karolingisch Badorf- en bolpot-aardewerk. Hoewel het gaat om kleine aantallen wijzen ze op bewoning vanaf waarschijnlijk de tweede helft van de 9de eeuw. Tot nu toe is het niet gelukt gebouwplattegronden uit deze periode te reconstrueren. Het lijkt er echter op dat de bewoning in deze periode bescheiden van karakter was. Er zijn geen aanwijzingen voor een elite-site. Vanaf de 10de eeuw nemen de hoeveelheid aardewerk en de sporen sterk toe. Deze sporen kunnen in een aantal categorieën worden ingedeeld die hieronder besproken worden.

Afb. 1. Overzichtsplattegrond van het burchtterrein met de opgravingsputten en enkele belangrijke structuren uit de 11de en 12de eeuw. De gracht rond het terrein is gereconstrueerd weergegeven.

Grachten, wallen en brug
De duidelijkste categorie grondsporen wordt gevormd door een stelsel van grachten dat deels het burchtterrein omgaf en deels dwars over het terrein heen liep. De opgegraven grachten, gecombineerd met de informatie van de kaart van Van de Weijer en de oudste kadastrale minuut uit 1832, leveren het volgende beeld op. Het burchtcomplex bestond uit twee grote omgrachte terreinen, ongeveer in de vorm van een "8", die tussen de Dommel en de Heuvel waren gelegen (afb. 1). Van de westelijke helft van deze 8 is ongeveer de helft opgegraven. Van de gracht zijn meerdere fasen teruggevonden en aan de zijde van de Heuvel is vastgesteld dat er minimaal vier grachten parallel aan elkaar liepen. Het is echter niet duidelijk of deze gelijktijdig hebben gefunctioneerd. Sommige van de grachten waren relatief smal, maar de hoofdgracht was maximaal 16 meter breed. De vulling van de gracht vertoonde sterke verschillen, hetgeen wellicht te maken had met de intensiteit van het gebruik van het terrein. De meeste gebouw sporen lagen namelijk aan de zuiden oostzijde: de grachtvulling was hier vuil en humeus en bevatte veel vondstmateriaal. Aan de westzijde, de zijde van de Heuvel, was de gracht gevuld met relatief schoon zand zonder vondsten. Op enkele plaatsen is vastgesteld dat de gracht voorzien was van een houten beschoeiing (afb. 2). Aan de zuidwestzijde bestond deze uit kleine ingeslagen paaltjes, voorzien van planken. De beschoeiing aan de oostzijde was veel degelijker uitgevoerd en bestond uit grote ingeslagen palen en vlechtwerk. Ook hier kan het een rol spelen dat deze zijde intensiever werd gebruikt. Het kan echter ook zijn dat de invloed van de Dommel hier sterker merkbaar was en een sterkere beschoeiing noodzakelijk maakte.

Naast de omgrachting, die de "8" omgaf, zijn ook grachten gevonden die ongeveer haaks daarop lagen. Het vreemde hierbij is dat deze grachten relatief diep waren en soms een duidelijk V-vormig profiel vertoonden. De meeste liepen midden op het burchtterrein dood waardoor de functie onduidelijk blijft. In één van de grachten werden verkoolde balken en brokken tufsteen aangetroffen van een verwoest gebouw. Deze gracht is daarna gedempt met schoon zand. Deze dwars grachten hebben mogelijk een rol gespeeld bij de ontwatering van het terrein. In de ondergrond bevindt zich namelijk een leemlaag, waardoor met name in de winter het water stagneert en zorgt voor drassige omstandigheden.

Afb. 2. Palen van een bruggenhoofd. Op de voorgrond wordt een beschoeiing van twijgen geprepareerd.

Op het terrein werd een ophogingspakket aangetroffen bestaande uit gemengd roestig zand. Op basis van de profielen kan geconcludeerd worden dat dit pakket een brede strook vormt aan de binnenzijde van de gracht. Mogelijk hebben we hier te maken met het restant van een aarden wal. Eveneens parallel aan de gracht zijn rijen palen gevonden die het restant vormen van een palissade. Deze blijken ouder te zijn dan de wal. Aan de oostzijde van het westelijke eiland lag een degelijk uitgevoerde constructie die het restant vormt van een brug met bruggenhoofd. Het bruggenhoofd bestond uit 18 palen. Hier sloten drie rijen brugpalen op aan die in oostelijke richting door de gracht liepen. De brug was 6 meter breed en verbond beide eilanden van de burcht met elkaar.

Gebouwen
Van de honderden paalsporen die bij het onderzoek zijn aangetroffen, hoort een groot deel tot de periode van de burcht. Op sommige plaatsen vormen de palen dichte clusters, waardoor het moeilijk is er plattegronden uit te destilleren. Duidelijk is dat de indeling van het burchtterrein regelmatig is gewijzigd. Op dit moment zijn diverse gebouwen herkend. Het meest opvallende is een noord-zuid georiënteerd gebouw van ongeveer 30 meter lang en 8 meter breed. De dragende constructie bestaat uit twee rijen van 14 diep ingegraven zware palen. Opvallend is dat deze palen vrij dicht bij elkaar stonden. Op de kopse kanten en bij het derde paar palen bevindt zich nog een paal in het midden. Het lijkt erop dat we te maken hebben met een één- of mogelijk tweeschepige zaalbouw. Vrijwel alle palen waren er na het buitengebruik raken van het gebouw uitgetrokken. In één geval was er nog een restant van een paal aanwezig met daaronder een stuk hout dat vermoedelijk gediend heeft om de palen bij het plaatsen te stellen. Hoewel er op dit deel van het terrein nauwelijks verstoringen hebben plaatsgevonden zijn er geen aanwijzingen gevonden voor een wandconstructie Het vermoeden is daarom dat de wand gelijk liep met de aangetroffen palenrijen.

Aan de zuidwestzijde van het burchtterrein stond eveneens een zaalgebouw, waarvan helaas de exacte lengte niet bepaald kon worden. Ook dit gebouw bestond uit twee rijen relatief dicht bij elkaar staande palen. De breedte bedroeg ongeveer 7,5 meter en de lengte was minimaal 14 meter. Van dit gebouw is de bijbehorende leemvloer aangetroffen met in het midden een haardplaats. Omdat dit gebouw herkend was in een palencluster was het niet mogelijk om te bepalen of er sprake was van een wandconstructie. De leemvloer stopt echter ter hoogte van de palen, waaruit geconcludeerd kan worden dat ook hier de wand samenviel met de plaats van de palenrij.

Naast deze twee duidelijk afwijkende zaalgebouwen zijn nog andere gebouwen aangetroffen, waaronder een schuur en een bootvormige plattegrond. De bootvormige plattegrond ligt ongeveer op dezelfde plaats als het kleine zaalgebouw en bestaat uit minimaal 7 paar palen. Ook bij deze plattegrond is een leemvloer aangetroffen. De kleinere schuur ligt aan de westzijde van het burchtterrein en bestaat uit vier paar palen. Eventuele wandpalen zijn niet aangetroffen waardoor de oorspronkelijke breedte niet bepaald kan worden. De omvang duidt op een functie als schuur. Een drietal spiekers van vier of zes palen heeft een functie gehad bij de opslag van goederen. In twee gevallen stonden de palen in ondiepe greppeltjes, waaruit geconcludeerd zou kunnen worden dat de wand tot op het maaiveld doorliep, dit in tegenstelling tot de meeste spiekers waar de vloer een stuk boven het maaiveld lag.

Waterput
Het centrale deel van het opgegraven terrein was arm aan sporen uit de burchtperiode. Het lijkt erop dat er een soort open plaats lag. In dit lege gebied is een waterput aangetroffen die bestond uit een uitgeholde eikenboomstam. Vanwege een leemlaag in de ondergrond was de put diep ingegraven tot onder de leem om verzekerd te zijn van water. Op basis van dendrochronologisch onderzoek kan de put gedateerd worden op 1105. Het vondstmateriaal uit de vulling duidt er op dat de put pas in de late 12de of vroege 13de eeuw dichtgeraakt is.

Odakerk en begravingen
Eén van de belangrijkste gebouwen op het burchtterrein is niet opgegraven, maar dient hier wel genoemd te worden. Het gaat om de kerk of kapel die gewijd was aan Sint Oda. Van deze oorspronkelijk tufstenen kerk is een afbeelding bekend van Hendrik Verhees uit 1787. De kerk dateert uit de 11 de of 12de eeuw en stond op het noordelijk deel van het westelijke burchteiland. Ter plaatse van de oude kerk staat momenteel de Sint-Martinuskerk uit 1912. Bij de opgraving zijn geen aanwijzingen gevonden dat de kerk nog een eigen omgrachting had en dus afgescheiden was van de rest van het burchtterrein. Een stuk zuidelijker dan de kerk, vrij centraal op het burchtterrein, werd een tweetal menselijke graven ontdekt. Het botmateriaal was grotendeels vergaan, maar duidelijk was dat de skeletten met het hoofd in het westen lagen. Helaas was het niet mogelijk de graven te dateren, waardoor we nog steeds geen duidelijkheid hebben over de interpretatie ervan. De mate van degeneratie van het bot wijst op een aanzienlijke ouderdom. Voorlopig gaan we ervan uit dat de skeletten uit de periode van de burcht dateren, geheel zeker is dit echter niet. Als ze inderdaad uit de periode van de burcht stammen, hebben we te maken met een bijzonder fenomeen van twee aparte graven buiten het kerkelijk gebied.

Vondstmateriaal uit de volle middeleeuwen
Uit de sporen, vooral uit de grachten en uit de ophogingslagen, is een grote hoeveelheid vondstmateriaal verzameld dat aan de burcht van de heren van Rode toegeschreven kan worden. Met name enkele grachten bevatten gesloten vondstcomplexen die informatie geven over de materiële cultuur en het voedselpatroon. Het aardewerk kenmerkt zich door een relatief hoog percentage importaardewerk. Extreem duur vaatwerk of glas is niet aangetroffen. Blijkbaar geldt ook voor deze periode dat status zich moeilijk aan de hand van aardewerk laat aflezen. De tot op heden meest opvallende aardewerkvondst vormen de fragmenten van rammelaars uit Pingsdorf. De andere vondstcategorieën lijken een duidelijker beeld te geven van hoge status. Zo is in één van de grachten een grote hoeveelheid botmateriaal gevonden, waaronder opvallend veel gevogelte. In een ophogingslaag werd een stuk wervel van een walvis aangetroffen. Het is afkomstig van een dwergvinvis of een noordkaper die vermoedelijk op het Noordzeestrand was aangespoeld. Het natuursteenmateriaal wijst op bouwwerken van tufsteen op het terrein en ook op het gebruik van andere steensoorten, zoals ijzeroer en rode zandsteen. De metaalvondsten duiden ook op een hoge status. Naast diverse fibula's en stukken beslag dient hier in ieder geval een gouden hanger genoemd te worden, waarin een gem uit de 2de of 3de eeuw voor Christus was verwerkt.(1) In de gem van amethist is een hoofd uitgesneden in driekwart profiel. Dit topstuk van klassieke steensnijkunst is vermoedelijk in de 11 de of 12de eeuw opnieuw in een gouden vatting gezet. Hoewel het gaat om een hanger was het goud vermoedelijk te zwak om verwerkt te worden tot halssieraad, het oog zou dan te snel breken. Het is verleidelijk om een link te leggen met de kerkschat van Sint Oda, die in de kerk bewaard werd. De hanger kan onderaan een reliekenkruis of een ander voorwerp hebben gehangen (afb. 3).

Voorlopige conclusie aangaande het burchtterrein
Hoewel de uitwerking van de onderzoeksresultaten momenteel nog in volle gang is, lijkt er inmiddels toch al wel een beeld te ontstaan van het burchtterrein in de 11de en 12de eeuw, waarbij moet worden opgemerkt dat niet alle structuren gelijktijdig zijn. Het burchtterrein bestaat uit een tweetal eilanden die zijn omgeven door een aantal grachten dat samen een "8" vormt. Langs de gracht bevindt zich een beschoeiing en een palissade waardoor het burchtterrein duidelijk van de omgeving wordt afgescheiden. De gebouwen op het terrein zijn geconcentreerd langs de randen met aan de noordzijde de kerk, aan de zuidoostzijde een groot zaalgebouw en aan de zuidwestzijde een kleiner zaalgebouw. Kleinere bijgebouwen en spiekers liggen verspreid op het terrein, maar lijken zich vooral aan de westzijde te concentreren. Het middendeel is relatief leeg en hier bevindt zich onder meer de waterput die vermoedelijk de gehele burcht van drinkwater voorzag. Er zijn aanwijzingen dat op het centrale terrein ook twee geïsoleerde menselijke graven lagen.
Na de sloop van het grote zaalgebouw is aan de oostzijde van de burcht een brug aangelegd naar het oostelijke eiland. Over de functie van dat eiland weten we vrijwel niets. De as van de brug is georiënteerd op het zogenaamde Odabergje: een heuvel waarvan in de overlevering wordt gezegd dat Sint Oda er gewoond heeft. Het huidige bergje is in ieder geval een oude kunstmatige ophoging, die op een kaart uit het eind van de 18de eeuw al wordt aangegeven. Het is niet uitgesloten dat het bergje, het restant vormt van een motte die op het oostelijke eiland heeft gelegen. In dat geval zou ook een motte deel uitmaken van het burchtcomplex.

In 1231 koopt hertog Hendrik I van Brabant het graafschap Rode van de graaf van Gelre. Op basis van de beschikbare historische bronnen valt op te maken dat een deel van het burchtterrein daarna als hertogelijk leen werd uitgegeven. Zo maakt de leenuitgifte van Jekschot (1311) aan Willem "die Cruudener" onder andere melding van een huis aan de Sint-Odakerk; 'hebben wij (...) verleent en huijs dat staet te Rode ane Sinte Oedekerke met allen dien dat daer toebehoort '. Het mag door genoemde Willem worden verbouwd, maar moet wel een "open huis" blijven voor de hertog.(2) Die bepaling onderstreept het belang van de bedoelde locatie en maakt een identificatie met het voormalig burchtterrein zeer waarschijnlijk.

Afb. 3. De hanger.

Bij het archeologisch onderzoek is vastgesteld dat de gracht rond het terrein in de 14de eeuw opnieuw is uitgediept. De breedte bedroeg aanvankelijk 16 meter, maar nam in de loop der tijd door vervening en het stolten van afval steeds meer af. Op de plattegrond van Van de Weijer uit 1782 is de loop nog weergegeven, vijf jaar voordat een groot deel gedempt zou worden. Een ander deel, rond het huidige Martinuskerkhof is tegenwoordig nog als sloot zichtbaar. Binnen de omgrachting stond de Romaanse tufstenen Sint-Odakerk. Aan deze kerk werd in 1494 in gotische stijl een priesterkoor toegevoegd dat nog steeds bestaat. Dit is het enige middeleeuwse bakstenen muurwerk op het vroegere burchtterrein dat bovengronds bewaard gebleven is (afb. 4).

Afb. 4. De Sint-Odakerk in 1787.

Het Hertogenhuis en het kapittel van Sint-Oda
In de opgravingsputten ten zuiden van de kerk zijn op verschillende plaatsen laatmiddeleeuwse kelders, funderingen en vloeren blootgelegd. Het aantal grondsporen is in vergelijking met de sporen uit de burchtperiode beperkt. Het gaat om een klein aantal paalsporen, enkele afvalkuilen, perceelgreppels en een afwateringsgracht.

Door latere verstoringen zijn alleen resten van de dieper aangelegde structuren uit deze laatmiddeleeuwse fase bewaard gebleven. Direct ten zuiden van de kerk is een vierkante gemetselde structuur blootgelegd, die wordt geïnterpreteerd als de fundering van een 15de-eeuwse traptoren. Omdat bijbehorend muurwerk ontbreekt, blijft de aard van het gebouw echter onzeker. Uit de ligging op het Odakerkhof en de 18de-eeuwse vermelding van een 'zeer oud schoolgebouw' op deze locatie zou geconcludeerd kunnen worden dat deze funderingen een restant zijn van een gebouw van het kapittel dat aan de kerk was verbonden, wellicht een kapittelschool. Ten oosten van de hierboven genoemde fundering lag een gebouw, waarvan de complete plattegrond kon worden blootgelegd. Dit bakstenen huis werd omstreeks 1300 naast de Sint-Odakerk gebouwd, had een grondplan van 8,5 bij 10 meter en was voorzien van gebrandschilderde ramen. Naast het gebouw lag een zeer diepe gemetselde waterput die gefundeerd was op een houten ring bestaande uit zeven segmenten. Op de bodem van de put is onder meer drinkgerei aangetroffen van blank steengoed, glas, ijzeren beslag en het hengsel van een putemmer. Het wordt geïnterpreteerd als het huis, later aangeduid als Hertogenhuis, waar vanaf 1311 melding van wordt gemaakt. Tegen het einde van de 14de eeuw werd dit huis door brand verwoest en op een locatie aan de westzijde van het terrein, grenzend aan de gracht, bouwde men een nieuw Hertogenhuis. Het muurwerk, dat hiervan is aangetroffen, is onderverdeeld in zeven bouwfasen die dateren tussen de 15de eeuwen 1912, toen het laatste restant van het gebouw werd afgebroken. Bij verschillende branden in de 16de eeuw werd het gebouw beschadigd, waarna er steeds grondige herstelwerkzaamheden nodig waren.

Afb. 5. Pijpaarden beeldje, ridderfiguur. Hoogte: 7,4 cm: datering: 1475-1500.

Afb. 6. Fragmenten van een pelgrimshoorn, aardewerk. Datering: 14de - 15de eeuw.

Vondstmateriaal uit de late middeleeuwen
Op het terrein is een aantal vondstcomplexen geborgen met een grote hoeveelheid vondstmateriaal uit de periode 1300-1550. Het betreft voornamelijk bouwafval en huishoudelijk afval, zoals keramiekscherven en botten die duiden op de consumptie van vlees en vis. Dit afval kan zowel afkomstig zijn van het Sint-Odakapittel dat op het terrein was gevestigd als van de bewoners van het adellijke Hertogenhuis. Een bijzondere vondst is een pijpaarden beeldje van een ridderfiguur. Wie deze profane figuur voorstelt, is nog niet duidelijk (afb. 5).
Een andere bijzondere vondst is een pelgrimshoorn. Er zijn drie fragmenten van deze aardewerk hoorn gevonden. Deze hoorns werden door pelgrims gedragen en gebruikt wanneer de relieken van de bezochte heilige werden getoond. Door het geluid van de hoorns werd, zo was de opvatting, het kwaad verdreven. In de Sint-Odakerk werden de relieken van de heilige Oda bewaard die door pelgrims werden vereerd. De aangetroffen hoorn kan waarschijnlijk met deze pelgrimage in verband worden gebracht en schetst het religieuze karakter dat deze locatie had (afb. 6).

De 16de eeuw was een desastreuze periode voor Sint-Oedenrode. Uit historische bronnen blijkt dat de plaats zes maal werd geplunderd en/of verwoest door Gelderse en later Spaanse en Staatse troepen. Ook de Sint-Odakerk en andere gebouwen op het omgrachte terrein, zoals het raadhuis, werden daarbij zwaar beschadigd. Bij het archeologisch onderzoek zijn verschillende brandlagen met verbrande bakstenen, dakleien, gesmolten glas-in-loodramen en houtskool uit deze periode gedocumenteerd. Een belangrijk deel van het muurwerk dat na deze verwoestingen resteerde, werd afgedekt door een akkerlaag van een meter dikte. Hieruit blijkt dat een deel van de laatmiddeleeuwse gebouwen na de verwoestingen in de 16de eeuw niet werd herbouwd en dat de vrijgekomen ruimte op het terrein voortaan werd benut als akkerland. Alleen de Odakerk werd hersteld en zou tot 1808 blijven bestaan. Het laatste restant van het Hertogenhuis werd na vele malen verbouwd en opgesplitst te zijn in 1912 afgebroken.

Literatuur
Genabeek, R., 2003: 'De middeleeuwse burcht van Sint-Oedenrode', in: Nieuwsbrief Archeologie Kempen- en Peelland, nr. 27,7-10.
Genabeek, RJ.M. van, en S.A.L. Peters, 2006: 'Een gouden hanger uit de burcht van Sint-Oedenrode', in: Archeobrief 10, nr. 2, 2-5.
Peters, S.A.L., 2004: 's-Hertogenhuys, 'huijs dat staet te Rode ane Sinte Oedenkerke'
(doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam).
Wijdeven, W. van de, en N. Arts, 'Archeologie en de middeleeuwse stadskern van Sint-Oedenrode', in: Westerheem 48 (1999) 3, 74-84.

Noten
(1) Van Genabeek en Peters 2006.
(2) Oorkondenboek Noord-Brabant 1835.

Sem Peters en Ronald van Genabeek