Opgraving Wilhelminalaan

Zeldzame gouden munten gevonden
Bij opgraving Wilhelminalaan

Leidsche Rijn, Vleuten - Gemeentelijk archeologen hebben bij de opgraving aan de Wilhelminalaan vier zeldzame gouden munten gevonden.
De vondsten en de opgravingssporen wijzen op een grote bevolkingsdichtheid rond de stad Utrecht in de "duistere", vroege Middeleeuwen en past in de reeks van nederzettingen, die tussen Utrecht en Haarzuilens zijn gevonden, gelegen langs de vroegere Rijn.

De archeologen Michel Hendriksen en Caroline den Hartog zijn bijzonder opgetogen over de vondst van vier gouden munten. De vondst is al weken bekend, maar om een "goldrush" naar de opgravingsplek ten zuidoosten van Vleuten te voorkomen werd ruchtbaarheid vermeden.

Hendriksen vertelt dat hij tot zijn grote vreugde en verbazing op één dag twee gouden munten uit de periode rond het jaar 630 vond. "Dat is ongelooflijk. Metaal en munten is mijn passie en specialiteit. Na de eerste vondst van een paar weken geleden, kreeg ik gelegenheid om volop met de metaaldetector aan de slag te gaan. Dankzij de tijd, die we voor deze opgraving kregen en dankzij de intensiteit van het zoeken, hebben we deze munten kunnen vinden. De vondst past ook in het. totaal beeld van Leidsche Rijn, bevestigd door de opgraving en de muntvondst. Vanaf Utrecht bij Kanaleneiland tot aan Wieleveld, bij Themaat, Haarzuilens ligt langs de Rijn een reeks nederzettingen uit de periode 500 tot 800. Nederzettingen, waar boeren en ambacht op een hoog peil stond.
Bij de verkenning in de negentiger jaren rekenden we op vier nederzettingen in Leidsche Rijn, maar dat zijn er nu aardig wat meer geworden!"
Den Hartog: "Deze afgraving is verstoord door zandwinning van bijna een meter diep ten noorden van oude rijngeul, die van oost naar west over het terrein loopt. Daar liggen ook de waterputten, die natuurlijk dieper steken. Ten zuiden is ook bijna een meter klei afgegraven, waardoor het bewoningspatroon is verstoord. We vinden paalsporen tot drie meter diepte, botten, aardewerk en metalen spelden en gespen."

Import
"Het aardewerk is veelal import. We vonden bij de opgraving over drie hectare, tenminste tien waterputten van vlechtwerk en planken, metaalslakken, die wijzen op smederijen, en resten, die wijzen op bewerking van geweien. Daarnaast veel paalsporen van schuren en greppels, die wijzen op de indeling in percelen. Geen eenvoudige boerennederzettingen, maar betrokken bij ruilhandel. In de vroege Middeleeuwen waren Friezen de grote handelaars, ze woonden ook in dit gebied, Utrecht en Dorestad, nu Wijk bij Duurstede, waren belangrijke poorten op de scheiding van Rijn en Vecht, de toegang tot het Friese gebied. Het IJsselmeer was nog slechts een klein Flevomeer.
Franken en Friezen voerden strijd om dit dichtbevolkte, strategische gebied."
Michel Hendriksen: "We vonden ook vijf zilveren sceatta's. Die komen uit Friesland en stammen uit 680-750. Begin van het herstel van het geldverkeer, dat sinds de Romeinse tijd was verdwenen. Een paar jaar geleden werd in De Woerd zelfs een heuse muntschat met dertig sceatta's gevonden. Sceatta betekent "schat".
Hendriksen is wel wat gewend, maar de vondst van gouden munten greep ook hem aan. "Ik zoek al 28 jaar, waarvan acht jaar als prof. Goud is niet dicht gezaaid.
Met vier maal goud uit de vroege Middeleeuwen hebben we echt de hoofdprijs!

De gouden munten zijn triënsen. Dat betekent eenderde. Eenderde Soli, goudeenheid uit de laat-Romeinse tijd. Op de voorkant staat Dorestat.fit: geslagen in Dorestad, met een eenvoudig portret van Koning Dagobert der Franken. Op de achterkant "Madelinus.M", dat was de Monetariër, muntmeester, die vanuit Maastricht door Dagobert naar Dorestat was gestuurd om de munten te slaan. Geldverkeer was er toen, rond 630, nauwelijks, de munten waren vooral relatiegeschenken, zoals nu een doos dure sigaren of een ring. Later zijn veel nabootsingen gemaakt, met meer zilver erin."

De munten worden later wellicht in het Centraal Museum tentoongesteld, nadat ze eerst nog grondig door archeologen zijn onderzocht. Ook de bewonerssporen vergen nog grondig onderzoek op de ingetekende plattegronden, voordat meer duidelijkheid over de bewoning in de steeds minder duistere vroege Middeleeuwen kan worden gekregen.