Tiel - Inundatiekanaal

Opdracht
In opdracht van het Waterschap Rivierenland heeft BAAC een cultuurhistorisch onderzoek verricht naar het inundatiekanaal te Tiel. Aanleiding voor dit onderzoek vormde de monumentenaanvraag die het Waterschap bij de gemeente Tiel en het RACM wenst in te dienen voor werkzaamheden die zij aan het kanaal wil uitvoeren. Het betreft onder meer het uitbaggeren en het zodanig inrichten van de watergang dat het karakter van het kanaal kan worden verenigd met recreatieve en ecologische doelstellingen door de gemeente en het waterschap geformuleerd.
Archieven
Ten behoeve van de opdracht is historisch onderzoek verricht waarbij relevante literatuur werd doorgenomen en het Regionaal Archief Rivierenland te Tiel en het Nationaal Archief te Den Haag werden bezocht. In dit laatste archief zijn verschillende militaire archieven ingezien, waaronder het Verbaalarchief van Oorlog en archieven van de Genie. Naast de nodige correspondentie is hier een aantal tekeningen betrekking hebbende op de aanleg van het kanaal teruggevonden.
Onderzoek
Rond het midden van de negentiende eeuw werd het duidelijk dat het stellen van de militaire onderwaterzetting voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie te veel tijd in beslag nam. Derhalve besloot men meer naar het oosten van het land een aantal inundatiekanalen aan te leggen. In 1870, mogelijk naar aanleiding van de Frans-Duitse oorlog, werden de eerste plannen voor een kanaal nabij Tiel gepresenteerd. Met de daadwerkelijke aanleg werd medio 1878 begonnen. Een aantal jaren later was het grootste deel van het werk gereed, op het voorkanaal na. Pas in 1886 werd de Waalbandijk doorgraven en kon het kanaal in gebruik worden genomen.
Dat het zolang duurde lag aan onenigheid tussen het Ministerie van Oorlog (lees de Staat) en de Dijkstoel (het Waterschap). De Dijkstoel, verantwoordelijk voor de waterhuishouding in de omringende polders, was bevreesd dat bij hoge rivierstanden op de Waal via het kanaal (extra) kwelwater op de omliggende landen zou komen. Dit tot groot nadeel van de eigenaren van die gronden. De Dijkstoel eiste dan ook vergaande maatregelen tegen de kwel.
Eén van de maatregelen die het Ministerie van Oorlog al in een vroeg stadium tegen kwel nam was de aanleg van kwelkommen. De eerste kwelkom liep van de inlaatsluis tot de schotbalksluis in de Kruisstraat. De tweede kwelkom liep van de schotbalksluis in de Kruisstraat tot de schotbalksluis in de Zuider Lingedijk. Beide kanaalpanden, die een eigen waterniveau kenden, waren bedoeld als bufferbekken voor een teveel aan kwelwater. Hiermee werd voorkomen dat kwelwater op de rivier de Linge zou stromen. Daarbij kon het waterniveau in het eerste kanaalpand hoger opgezet worden dan het water in het tweede pand. Derhalve lagen de dijken van het eerste kanaalpand ook hoger.

Tijdens het onderzoek werd ook een tekening gevonden met het oorspronkelijke profiel van het kanaal. Opvallend daarbij was dat er aan weerszijde van het kanaal sprake was van een knik in de taluds in de vorm van een berm. Deze berm was bedoeld om de golfslag in het kanaal te dempen en daarmee de afkalving van het talud tegen te gaan. Deze demping van het water werd nog versterkt door de rietbegroeiing die hoogst waarschijnlijk van aanvang aan op deze berm gestaan heeft. Het was immers in de negentiende eeuw gebruikelijk voor oeverbescherming rietkragen toe te passen.
Deze tekening was van groot belang voor het Waterschap daar hiermee de inrichting van de watergang onderbouwd kon worden en een ecologisch model (het Winde-model) kon worden ingepast.
Hans Willems





