's-Hertogenbosch, van Glasfabriek naar Leenbank, en weer terug

Uit historisch onderzoek is gebleken dat het gebouw van de voormalige Bossche "Bank van Leening" (Schilderstraat 33) in 1842 is gebouwd als glasblazerij, in opdracht van de glasfabrikanten J.K. Mirion en H.T.J. van der Ven. Archeologisch onderzoek, waarbij oven- en glasresten zijn aangetroffen, bevestigt dit. Mede omdat de fabriek al in 1848 failliet ging, is er weinig over bekend. Wel weten we dat er vlak voor de sluiting, maar liefst 98 mensen werkzaam waren, veel voor die tijd. In 1853 werd de voormalige glasblazerij aan gekocht door het "College van regenten over de godshuizen en de algemene arme dezer stad" dat het exploitatierecht voor de Bank van Leening had verkregen. Tot dan toe werd het exploitatierecht door de stad verpacht aan particulieren, wat vaak tot woekerpraktijken leidde. De voormalige glasblazerij werd tot leenbank verbouwd, waarbij de interieur- en de gevelindeling werden gewijzigd.

In 2007 vond er een grote verbouwing van het pand plaatst. Voor de gemeente 's-Hertogenbosch was deze verbouwing aanleiding voor een bouwhistorisch onderzoek, waarbij de centrale vraag was: "Hoe heeft de glasblazerij van de firma Mirion en Van der Ven er oorspronkelijk uitgezien?"
Tijdens het bouwhistorisch onderzoek zijn alle bouwsporen in de gevels gedocumenteerd. In verschillende gevels bleken restanten aanwezig van dagkanten van de verdwenen vensteropeningen van de glasfabriek. De huidige, gietijzeren vensters bleken aangebracht bij de verbouwing tot leenbank. Op enkele plaatsen werden delen van de oorspronkelijke ontlastingsconstructies aangetroffen, een met een koppenlaag afgedekte segmentboog. Op basis van de documentatie van deze restanten, kon een reconstructie van alle gevels worden gemaakt. Wat daarbij het meest opviel, was de verplaatsing van de toegang tot het gebouw naar de huidige voorgevel (oorspronkelijk de zijgevel van de glasblazerij), in 1853. De huidige bordestrap, die tegenwoordig zo markant is voor de huidige voorgevel, is een toevoeging, zoals ook bleek op basis van koude bouwnaden op het niveau van het souterrain.
Een interessante vondst, werd binnen gedaan. Daar bleek namelijk dat in de gevels, geheel rondom, net boven de vensteropeningen, eikenhouten balken waren verwerkt. Het bleek te gaan om een ringverankering, zoals we die ook wel kennen uit middeleeuwse kerkgebouwen, dan vaak in ijzer uitgevoerd. Ter plaatse van de oorspronkelijke, in 1853 dichtgezette dubbele toegangsdeur, waren de balken aan weerszijden met elkaar gekoppeld door een ijzeren anker dat over de segmentgebogen ontlastingsconstructie was gelegd. De aanwezigheid van deze verankering, wijst er op, dat er in het gebouw waarschijnlijk nauwelijks of zelfs geen binnenmuren zijn geweest. Ook de huidige zoldervloer zal een toevoeging zijn uit de tijd dat het gebouw werd getransformeerd in een leenbank. Een belangrijke bron van informatie met betrekking tot het gebruik van het gebouw, de vloer op de begane grond, bleek al in 1930 te zijn verwijderd. Toch kan er een uitspraak worden gedaan over de positionering van de glasovens. Er zijn er vermoedelijk twee geweest, die achter elkaar in de lengteas van het gebouw hebben gestaan. Dit vermoeden is ingegeven door de indeling van het souterrain. De achtzijdige knooppunten van de gangen hebben vermoedelijk als fundament gediend voor de ovens. Het muurwerk heeft hier een zwaarder fundament.

Geert Oldenmenger