Nieuwendijk - Fort Bakkerskil

In opdracht van Brabants Landschap heeft BAAC een bouwhistorische verkenning verricht naar het zogenaamde fort Bakkerskil (rijksmonument) aan de Schenkeldijk nabij Nieuwendijk. De aanleiding hiervoor was de op handen zijnde verbouwing van het fort, dat geschikt wordt gemaakt voor een bed and breakfast faciliteit. Behalve deze verkenning werd er ook historisch onderzoek verricht. Zo werden naast literatuuronderzoek diverse archieven in het Nationaal Archief te Den Haag geraadpleegd.
Nadat aan de Franse overheersing in 1813 een einde was gekomen, bepaalde de nieuwe koning Willem I dat de nieuw gevormde staat "het Koninkrijk der Nederlanden" van een nieuwe verdedigingslinie moest worden voorzien. Deze linie zou bekend worden onder de naam "Nieuwe Hollandse Waterlinie".
Deze linie strekte zich uit van de voormalige Zuiderzee bij Muiden tot aan de Biesbosch bij Werkendam. Als een beschermende krans lag de linie rondom de steden Muiden, Utrecht, Vreeswijk en Gorinchem. De linie was ongeveer 85 km lang en 3 tot 5 km breed. Doel was middels een ingenieus systeem van dijken, sluizen, inundatiekanalen en bestaande waterwegen een brede strook land gemiddeld 40 cm onder water zetten waardoor het terrein moeilijk begaanbaar was voor mensen en voertuigen en tegelijkertijd te ondiep om per boot te bevaren. Op zwakke punten, vooral gebieden die niet onder water konden worden gezet, werd de verdedigingslinie aangevuld met forten en batterijen.
Vanwege de verschillende hoogten van de landstreken waren de te inunderen gronden verdeeld in kommen. De meest zuidelijke kom, gelegen ten oosten van de waterloop Bakkerskil en ten zuiden van de rivier de Merwede, kon onder water worden gezet met behulp van twee inundatiesluizen: een waaiersluis ten zuiden van Woudrichem en een waaiersluis ten zuiden van Werkendam. Deze laatste sluis lag aan de Bakkerskil. In tegenstelling tot de sluis bij Woudrichem, bestaat deze sluis nog steeds. Zij staat bekent onder de naam "Papsluis".
Gelijk bij de aanleg van de Papsluis in 1815 werd aan de zuidzijde van de sluis een fort aangelegd. De taak daarvan was de sluis te verdedigen opdat vijandelijke eenheden haar niet zouden veroveren om daarmee de onderwaterzetting van de zuidelijke kom te frustreren. Het thans onderzochte fort Bakkerskil werd gebouwd in 1877-1879 ter vervanging van de batterij ten zuiden van de inundatiesluis. Er werd een bomvrij gebouw opgericht, een verdedigingswerk aangelegd, een gedeelte van de Groenendijk verlegd, een brug en een wachterswoning gebouwd. Het werk was niet alleen bedoeld om de inundatiesluis te verdedigen, het moest ook voorkomen dat vijandelijke eenheden naar het noorden zouden optrekken.
Toen in 1885 de brisantgranaat werd uitgevonden bleken vele werken, waaronder fort Bakkerskil, tegen dit projectiel niet bestand. Daardoor waren zij nauwelijks meer geschikt als opstellingsplaats voor het vestinggeschut, waarvoor zij in eerste instantie bedoeld waren. Het geschut werd niet meer in de forten, maar zoveel mogelijk verspreid op het terrein achter de forten opgesteld. Hierdoor werden aan de forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie ná 1885 geen ingrijpende wijzigingen meer doorgevoerd.
Toch had fort Bakkerskil niet helemaal afgedaan. Tijdens de mobilisatieperioden 1914-1918 en 1939-1940 werd het fort voorzien van een militaire bezetting en in staat van verdediging gesteld met als doel de inundatiesluis zo lang mogelijk uit vijandelijke handen te houden. Uiteindelijk viel in 1951 het doek voor Bakkerskil en werd het aangemerkt als vestingwerk van geen klasse waardoor het zijn defensieve functie verloor.

Tijdens het bouwhistorisch veldonderzoek werd geconcludeerd dat fort Bakkerskil als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie monumentaal waardevol is en terecht bescherming als Rijksmonument geniet. Het werk verkeert nog in hoge mate in authentieke staat. Toch wordt een ontwikkeling van het fort tot een bed and breakfast accommodatie goed mogelijk geacht. Het verdient daarbij aanbeveling om de wezenlijke en de monumentaal hoog gewaardeerde onderdelen, zoals de voorgevel en de indeling van het westelijke deel van het complex, zoveel mogelijk intact te laten. Deze delen dienen met het oog op de vastgestelde waarden en de staat waarin sommige onderdelen zich bevinden, bij voorkeur behoudend te worden gerestaureerd. Daarbij kunnen vensters naar bestaande voorbeelden worden teruggebracht en deuren en luiken worden hersteld. Ook het terugbrengen van de steunmuren en het opnieuw aanbrengen van grond tegen deze muur wordt aangemoedigd. Het aantal noodzakelijk geachte ingrepen dient zich tot een minimum te beperken waarbij het waardevolle karakter zo min mogelijk wordt aangetast.
Voor ontwikkeling en aanpassing aan bij de beoogde functie horende eisen, leent het oostelijke deel van het fort zich beter. Zo zijn er meer ingrepen denkbaar die het ondersteunende karakter van dit deel van het fort niet of nauwelijks zullen aantasten. Noodzakelijk geachte wijzigingen in de positief gewaardeerde structuur van muren en gewelven, moeten mogelijk worden geacht zolang deze ingrepen het waardevolle karakter niet te zeer verstoren.
Verder gaf de bouwhistoricus de aanbeveling om de later geplaatste, beeldverstorende, loodsen te verwijderen, de walgang te reconstrueren (op basis van de oorspronkelijke bestekken) en een brug te leggen op de plaats van de huidige dam die in de jaren zestig in de gracht is gelegd.
Hans Willems





