Utrecht - Een bijzondere metaalvondst
In opdracht van de gemeente Utrecht heeft BAAC bv gedurende enkele weken een opgraving uitgevoerd midden in het centrum van Utrecht. De opgraving vond plaats op de plek waar ooit de huizen van een middeleeuwse stadswijk genaamd De Teerling (de dobbelsteen) stonden. Bij het onderzoek van De Teerling zijn verschillende specialisten van BAAC zoals archeologen, bouwhistorici, fysisch geografen en metaalspecialisten betrokken geweest. Onderstaand artikel is geschreven door metaalspecialist Michel Hendriksen. Het is een eerste verslag van het conserveren en deels restaureren van een wel heel uniek voorwerp! Het specialistisch werk wordt momenteel door Michel uitgevoerd.
Een kanon!

Een deel van het kanon na verwijdering van de grootste roestklompen.
Een wel heel bijzondere vondst is een ijzeren kanon, dat werd aangetroffen in het noordwestelijke deel van de opgraving. Het betreft hier een zogenoemde draaibas of mikhaak die in de loop van de 16de eeuw ontwikkeld is voor een gebruik op schepen. Deze kon door middel van een op de reling gemonteerde gaffel horizontaal 360 graden om zijn as draaien. Het is dan ook niet vreemd dat de spaarzame exemplaren of delen ervan die zijn teruggevonden meestal afkomstig zijn uit scheepswrakken of van zeebodems.
De gaffel met draaistuk.
De gaffel vanaf de voorkant gezien.
Doordat het kanon ook op een verrijdbaar affuit kon worden geplaatst was het eveneens geschikt om met een optrekkend leger meegenomen te worden. Voorbeelden van het voorkomen van dit type kanon op het vaste land zijn de vondsten van een cartouche op het burchtterrein van Kuinre en nu ook het kanon van Vredenburg. Een zelfde kanon, maar dan compleet met loop, is afkomstig uit het wrak van een in 1554 gezonken Spaans schip. Daar is het draaipunt met daaraan de gaffel het middenpunt van het kanon. Het was voor die tijd een revolutionair model en kan gezien worden als de eerste achterlader. Het kanon werd geladen door middel van een losse kruitkamer (cartouche) waarin zowel het kruit als het projectiel zat. Hierdoor konden er meerdere ladingen worden klaargezet, wat een hogere vuursnelheid mogelijk maakte. Zo zijn er in Luttelgeest drie kruitkamers gevonden die allen een zelfde merkteken hebben en daardoor waarschijnlijk aan één kanon hebben toebehoord. De cartouche met een lengte van ongeveer 43 cm werd door middel van twee spieën geborgd.
De oorzaak van de afgebroken kanonloop kan te maken hebben met een te heet geworden loop door een te hoge vuursnelheid. Hierdoor gaat de loopbuis uitzetten waardoor de binnenopening kleiner wordt. Door op dat moment een kogel af te vuren komt deze klem te zitten en kan de druk niet meer weg, met als gevolg dat de loop afscheurt of explodeert. Om een te hete loop te voorkomen werd deze soms afgedekt met natte koeienhuiden.
Het bereik van een kanon hangt af van de grootte van de kogel. Zo kwam een 66 pond wegende kogel door middel van 30 pond kruit ongeveer 2500 m ver. Een kleiner type kanon, de zogenoemde falcon, schoot kogels met een gewicht van 3 pond ongeveer 4500 meter ver weg. De Vredenburgse kanonloop meet 5,5 cm en kan zowel loden, ijzeren of stenen kogels hebben afgevuurd. Stenen kogels werden vanaf het midden van de 16de eeuw geleidelijk aan afgeschaft waarna alleen nog loden en ijzeren kogels werden vervaardigd. Het gewicht van een 5,5 cm in diameter metende loden kogel bedraagt 800 gr, oftewel 1,6 pond. Een kogel van ijzer met een zelfde diameter weegt daarentegen slechts 680 gr.

Twee 5,5 centimeter kanonskogels met links een loden kogel van 800 gram en rechts een ijzeren exemplaar van slechts 680 gram.
Beschrijving
De lengte van het aangetroffen kanondeel van bedraagt 155 cm. Zoals eerder vermeld is de gaffel het middelpunt geweest zodat het kanon oorspronkelijk ruim 3 m lang moet zijn geweest. Het gewicht kan met dezelfde factor vermenigvuldigd worden en bedroeg ruim 150 kg.
Tijdens het schoonmaken van het kanon zijn details zichtbaar geworden die laten zien hoe het kanon destijds vervaardigd is. Zo begint het kanon met een zeskantige knop die aan een 73 cm lange vierkante staaf zit vastgeklonken. De doorsnede aan het begin van de staaf, die bedoeld is om het wapen te kunnen richten, is achtkantig en loopt geleidelijk dikker uit in een vierkante doorsnede.
De kruitkamer bestaat uit twee schaalvormige strippen die aan de achterkant zijn vastgeweld aan een dikke vierkante plaat en aan de voorkant aan een ronde gegoten ring. Het wellen van ijzer is een proces waarbij de aan elkaar te bevestigen delen worden verhit waarna door middel van hamerslagen de plastisch geworden delen in elkaar worden geslagen.
Duidelijk herkenbaar zijn de naden die zichtbaar blijven na het wellen van losse onderdelen.
Hetzelfde deel maar dan vanaf één zijkant gezien met daarin het gat om de cartouche te borgen.
De loop is opgebouwd uit twee delen; er zit een soort binnenmantel in met een dikte van 6 mm van waarschijnlijk een slijtvaster materiaal. De naad waarvan de twee lange kanten van de binnenplaat tegen elkaar komen is nog duidelijk zichtbaar.
Vanuit de kruitkamer gezien naar voren door de loop met hier ook weer de losse naden van
de binnenmantel.
Vanaf de afgebroken voorkant gezien.
Het beleg van de Vredenburg
In november 1576 richtte de commandant van Vredenburg, D'Avila, de kanonnen dreigend op de stad. Dit naar aanleiding van de ondertekening door de Staten van Utrecht van de Pacificatie van Gent. Als antwoord daarop richtten de Utrechters enkele kanonnen vanaf torens en andere hoge huizen op het Vredenburg. Op 21 december doen de Spanjaarden een uitval. De rond het kasteel wachthoudende Utrechters, bijgestaan door Duitse huurlingen, werden verdreven waarna de Spanjaarden brand stichtten in de stad.
De Spanjaarden werden echter teruggedreven en zwaar onder vuur genomen door de kanonnen van de Utrechters, waarna de Spanjaarden hevig terugvuurden. Mischien wel zo hevig dat er even geen tijd was om de loop van het kanon te laten afkoelen. Uiteindelijk kregen de Utrechters steun van Bossu. Hij was tijdelijk stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, omdat Willem van Oranje naar Duitsland was uitgeweken. De burgers van Utrecht wilden dat het kasteel bestormd zou worden, maar Bossu vond dat er te weinig munitie in de stad aanwezig was om een aanval te doen slagen. Bovendien moesten ze het opnemen tegen een regiment beroepssoldaten. Dit ging tegen de zin van de Utrechters in, omdat de belegering hierdoor weer langer voortduurde. Maar hierna verslechterde de moraal op de Vredenburg doordat de voorraden opraakten en de soldaten geen soldij meer ontvingen. Uiteindelijk liet D'Avila op 7 februari weten dat hij wilde onderhandelen en op 9 februari werd overeen gekomen dat hij met het garnizoen zou vertrekken. De soldaten mochten hun wapens meenemen maar de kanonnen bleven op Vredenburg achter. Op 11 februari verliet het garnizoen het kasteel en verbleef enkele dagen op het karthuizerklooster Nieuw Licht aan de rand van Utrecht om daarna te door te marcheren naar het zuiden. In de daarop volgende weken werd het Vredenburg afgebroken. Misschien stond het aangetroffen kanon tijdens de sloop nog bovenop Vredenburg en is deze naar beneden gegooid waardoor de loop is afgebroken. De reden waarom deze is blijven liggen en niet als oud ijzer is hergebruikt blijft de vraag.
Michel Hendriksen





