bouwhistorie Motte de Keverberg

Kessel – Motte de Keverberg

In het kader van een voorgenomen herbouw werden in 2009 de muurrestanten op Neerlands meest bekende motte in Kessel (provincie Limburg) aan een bouwhistorisch onderzoek onderworpen. Geheel tegen de verwachting in bleek dat er eigenlijk helemaal niet zoveel van het oorspronkelijke muurwerk was overgebleven als altijd werd gedacht. Maar voor we daar nader op ingaan de drie belangrijkste fasen uit de bouwgeschiedenis.

Deze ving aan kort na 1082, toen in opdracht van graaf Hendrik I van Kessel een donjon van circa 14×16 meter werd gebouwd. De muren waren twee meter dik en bezaten een schil van tuf en vulwerk van Maaskiezel, ijzeroer en Romeinse bakstenen. De aanleg lag zeven meter onder het niveau van het huidige kasteelplatform. In het eerste kwart van de 12e eeuw werd deze toren om onbekende redenen tot aan het kelderniveau gesloopt.

Kessel plattegrond

Na de sloop werd onder graaf Hendrik II van Kessel over de restanten een lage motte opgeworpen. Volgens Renaud werd hierop een niet-permanent houten gebouw neergezet, maar volgens de jongste inzichten betrof het een groot houten huis, vermoedelijk omringd door een houten palissade. Dit huis werd echter al in het midden van de 12e eeuw door brand verwoest.

De derde fase omvat de periode tussen 1150 en 1200, toen over de restanten van het afgebrande huis de motte verder werd opgehoogd tot negen meter boven het maaiveld. Op het plateau verrees onder Hendrik IV van Kessel een ringburcht met weergang op bogen. Aan de noordzijde had de versterking een toegang geflankeerd door twee halfronde torens. Omstreeks 1320 werd de burcht uitgebreid met een zware toren en in de eerste helft van de 15e eeuw met een kleinere toren, waarin kort na 1542 de toegang werd opgenomen. Vervolgens werden geleidelijk aan binnen de ommuring andere gebouwen opgetrokken. Het kasteel werd in 1579 door Staatse troepen in brand gestoken. Vermoedelijk volgde het herstel van de schade pas in het begin van de 17e eeuw. De meeste binnenmuren dateren in ieder geval uit die periode of later.

De belangrijkste bouwfasen van de motteburcht zijn daarmee behandeld. Toch vonden in 1926 nogmaals ingrijpende werkzaamheden plaats, en wel in opdracht van de Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid, die zich in 1880 vanuit Duitsland in het kasteel hadden gevestigd. Wat gebeurde er? Grote delen van het baksteenwerk van de ringmuur aan de buitenzijde werden met een gele cementlaag afgesmeerd en van schijnvoegen voorzien om zo de illusie te wekken dat de ringmuur volledig in mergel was opgetrokken. Veel baksteenwerk werd ook vernieuwd met moderne, paarse Waalformaten en alles werd opnieuw gevoegd. De toenmalige Rijksdienst sprak er schande van.

Op 17 november 1944 werd het kasteel met 2000 kilo springstof tot ontploffing gebracht en brandde volledig uit. Na de oorlog werd maar liefst 250 m3 puin afgevoerd en werd er nagedacht over consolidatie van de ruïne. Die vond uiteindelijk plaats tussen 1958 en 1962 onder leiding van Jaap Renaud. De ruïne werd daarbij teruggebracht naar de situatie omstreeks de 13e eeuw, hetgeen onder meer betekende dat rondom kantelen werden aangebracht, alle muuropeningen werden dichtgezet en daarvoor in de plaats schietgaten werden gemaakt. Aan de binnenzijde werd de ringmuur – mede om constructieve redenen – voorzien van een compleet nieuwe weergang op bogen. Er werd voornamelijk gewerkt in betonsteen, die nadien geel werd gesausd om de mergel te imiteren.

Muurdetail Kessel

Het bovenstaande overziend is het niet vreemd dat van het oorspronkelijke muurwerk nog maar bijzonder weinig is overgebleven. Ter indicatie: aan de rivierzijde is tegenwoordig aan de binnenkant nog maar 2 tot 3 m2 oorspronkelijk werk bewaard gebleven!

 

Kessel plattegrond Muurdetail Kessel