bakel

Bakel, De Zorgboog

Bij geologisch onderzoek naar de Peelrandbreuk door de Geologische Dienst Nederland TNO en de Vrije Universiteit Amsterdam heeft BAAC bv een archeologische begeleiding uitgevoerd.  De Peelrandbreuk is een breuklijn die het tektonisch opheffingsgebied van het Peelblok van de lager gelegen Roerdalslenk scheidt. De Peelrandbreuk volgt grofweg de lijn Roermond – Meijel – Liessel – Deurne – Bakel – Gemert – Uden – Heesch. Langs de breuklijn vindt nog steeds beweging plaats. Een gevolg daarvan was bijvoorbeeld de aardbeving bij Roermond in april 1992.

Het geologisch onderzoek vond plaats in het kader van het project “Breuken Beleven” en stond onder leiding van Marcel Bakker (TNO) en prof. Ronald van Balen (VU). Door de projectgroep “Breuken Beleven” werd gezocht naar mogelijkheden om het breukenlandschap van Noord- Brabant als een unieke kernkwaliteit onder de aandacht te brengen. Ook wetenschappelijk onderzoek en educatie maakten hier deel van uit. Tijdens het geologisch onderzoek dat plaatsvond op het terrein van de Zorgboog in Bakel (gemeente Gemert-Bakel) is de breuk daadwerkelijk in de drie meter diepe sleuf bloot gelegd. Het was pas de tweede keer dat in Nederland een dergelijk onderzoek aan de Peelrandbreuk is uitgevoerd.

Voor het terrein waar het geologisch onderzoek plaatsvond, bestond een hoge archeologische verwachting. Omdat mogelijk aanwezige archeologische resten door de graafwerkzaamheden verstoord zouden worden, is besloten om een archeologische begeleiding uit te voeren van de graafwerkzaamheden in de archeologisch interessante lagen. Hierbij werden overigens geen sporen of vondsten van archeologisch belang gevonden.

Peelrandbreuk Bakel TNO

De Peelrandbreuk zoals deze zichtbaar was in het profiel van de circa 3 meter diepe sleuf. De breuk is te herkennen aan verticale breukstructuren. De roestvlekken zijn kenmerkend; langs de breuk treedt ijzerhoudend water aan de oppervlakte. Deze natte gebieden langs breuken staan bekend als wijstgronden. Foto: Pieter van der Klugt, TNO.

archeologisch onderzoek en opgraving Waalwijk

Waalwijk, Brede School

In 2013 heeft BAAC in plangebied Brede School te Waalwijk (provincie Noord-Brabant) naar aanleiding van een eerdere vondst van menselijke begravingen een archeologische opgraving uitgevoerd. De aanwezigheid van deze begravingen was een volkomen verrassing, aangezien in de directe nabijheid van het plangebied geen kerk aanwezig is of is geweest, en ook wordt hier op oude kaarten geen begraafplaats aangegeven. Het plangebied is gelegen in de wijk Besoijen in het westen van Waalwijk.

De opgraving werd uitgevoerd om vragen zoals wie er begraven waren, wanneer dat is gebeurd en waarom te kunnen beantwoorden. Uit het onderzoek blijkt dat de graven dateren uit de tweede helft van de 15e eeuw of wellicht nog eerste helft 16e eeuw. In totaal zijn zeven graven op een rij aangetroffen, over een lengte van ongeveer 10 meter. De graven waren oost-west georiënteerd, waarbij het hoofdeinde zich bevond in het westen en het voeteneinde in het oosten. De personen waren gewikkeld in los riet of in rieten matten. Doodskisten ontbraken. Wel zijn in één van de graven aanwijzingen gevonden voor een lijkbaar. De doden hadden vermoedelijk een hoofdkussen waarin veenmos was verwerkt. De vondst van een nestel in één van de graven wijst er op dat deze persoon gekleed was.

Eén van de individuen was een vrouw, van de overige personen kon het geslacht vanwege de slechte staat van het botmateriaal niet meer worden vastgesteld. Twee individuen zijn ouder dan 18 jaar geworden en een derde persoon is tussen de 23 en 40 jaar oud geworden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor kindgraven. Het onderzoek heeft geen gegevens opgeleverd over de doodsoorzaak van de overledenen. Wel kon nog goed onderzocht worden wat de mensen vlak voor hun dood hadden gegeten. Wie deze mensen waren is uit het onderzoek niet verder duidelijk geworden. Vanwege de datering van de begravingen lijkt het in ieder geval niet te gaan om joodse mensen, Staatse soldaten of slachtoffers van de St Elisabethsvloed, hetgeen eerder een theorie was.

Archeologisch onderzoek Aalsterhut

A2, Aalsterhut

In het kader van de verbreding van de A2 ten zuiden van knooppunt Leenderheide (provincie Noord-Brabant) heeft BAAC meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd in een smalle strook ten oosten van deze snelweg. Dit terrein valt binnen een beschermd archeologisch rijksmonument waar zich de bekende “Geldrop” vindplaatsen bevinden die dateren uit het laat-paleolithicum (Federmesser en Ahrensburg cultuur). De onderzoeken bestonden uit een oppervlaktekartering, documentatie van een profiel, verschillende booronderzoeken, een onderzoek met proefputten, een vlakdekkende kartering en tenslotte een opgraving van een concentratie vuursteen.

Ter plaatse is een vindplaats van de laat-paleolithische Ahrensburg cultuur onderzocht. De resten ervan bestonden uit een grote hoeveelheid vuurstenen en natuurstenen artefacten, grote en kleine vlekken oker en houtskoolconcentraties. Deze resten bevonden zich in en direct op het zogenaamde Jong Dekzand Ib en zijn afgedekt geraakt door Jong Dekzand II. De vindplaats bleek zich nog in situ te bevinden en is geïnterpreteerd als een activiteitenzone van een (basis)nederzetting. De vondsten van schrabbers, boren en stekers in combinatie met oker en het geringe aantal spitsen suggereren dat specifieke activiteiten werden uitgevoerd, zoals het bewerken of looien van huiden. De vindplaats maakt waarschijnlijk deel uit van de al eerder (deels) onderzochte vindplaats Geldrop 1.

De vindplaats is gedateerd door middel van 14C-dateringen en OSL-dateringen.  Verrassend was de vroege datering van deze Ahrensburg site: chronostratigrafisch valt deze in de eerste helft van de Late Dryas met een meest waarschijnlijke 14C-ouderdom tussen 10.750 en 10.500 14C-jaar BP, ofwel rond 12.400 kalenderjaren voor heden.

bouwhistorie moated site

Tilburg – Moerenburg

Ook de moated sites worden doorgaans meegenomen als men spreekt over kasteeltypen. We verstaan hieronder simpelweg omgrachte terreinen met stenen bebouwing die enige mate van bescherming konden bieden tegen rondtrekkende roversbenden, maar zeker niet geschikt waren een werkelijke belegering te doorstaan. Het geheel moest vooral de status van de eigenaar benadrukken.

Moerenburg-plattegrond

Als voorbeeld dient huis Moerenburg te Tilburg (provincie Noord-Brabant), dat van de 14e tot in de 17e eeuw als pastorie in gebruik was. Dat doet dus recht aan de hierboven gegeven karakteristiek dat een moated site vooral een statusverhogend bedoeling had en niet primair op defensie was gericht. De exacte ligging van de moated site Moerenburg was tot aan 2005 onbekend. In dat jaar kwam zij door toeval aan het licht. Oorspronkelijk was het huis gelegen in het beekdal van de Leij.

Moerenburg-beschoeiing

We behandelen alleen de beide oudste fasen, waarvan de eerste is te dateren kort voor 1358. Er stond toen een bakstenen huis op een vierkant eiland omgeven door een brede gracht. De funderingsaanleg was 1,20 meter zwaar en de muren stonden direct in de gracht. In deze fase bezat het huis zeker nog enige defensieve betekenis. In de tweede helft van de 15e eeuw vond sloop en herbouw plaats, min of meer op dezelfde plaats, maar met minder dikke muren. Nu werd een beschoeid voorland aangelegd. Hiervoor werden enkele eikenhouten palen door de bakstenen fundering van fase 1 geheid. Op het voorland werd tijdens het archeologisch onderzoek veel rijk vondstmateriaal aangetroffen. Dit werd overdekt door een brandlaag uit het midden van de 16e eeuw. In 1680 vond nog een grootscheepse nieuwbouw plaats, waarna het huis omstreeks 1750 geheel werd gesloopt.

 

bouwhistorie

Helmond – Het vierkante kasteel

Voordat het kasteel van Helmond (provincie Noord-Brabant) in de periode 1998-1999 bouwhistorisch werd onderzocht, werd algemeen verondersteld dat het gebouw in 1402 tot stand was gekomen. Dat jaartal was namelijk in keitjes op de binnenplaats van het kasteel ingelegd. Het bouwhistorisch onderzoek leverde echter andere gegevens op.

In 1314 kwam de heerlijkheid Helmond in bezit van de familie Berthout, naar hun bezittingen ook wel Berlaer genoemd. Vrij kort na het verwerven van de heerlijkheid moet men zijn gestart met de bouw van de huidige vierkante burcht. We weten namelijk dat de eerste fase in 1335 gereed moet zijn geweest, omdat in dat jaar Lodewijk van Berlaer een lening afloste waarvoor het kasteel als onderpand had gediend. Bouwhistorisch dateren we de eerste aanleg derhalve omstreeks 1325. Het gaat dan om een vrijwel vierkante aanleg van circa 35×35 meter (vergelijk het Muiderslot: 32×35 meter). De vier hoektorens hebben een gemiddelde diameter van 8,20 meter en het muurwerk is circa twee meter dik. Aanvankelijk was binnen de muren slechts een lage zaalbouw aanwezig. Wel hield men al vanaf het begin rekening met latere uitbreidingen. De oudste fase kan in analogie met een aantal andere vierkante kastelen worden beschouwd als een ‘ommuurd kampement’.

De eerste opzet veronderstelt een groot startkapitaal. Ook de ligging bracht een grote investering met zich mee. Het kasteel werd zuidwestelijk van de stad gesitueerd op een laag gelegen terrein van drassige veengrond. Ten behoeve van de watervoering in de grachten werd zelfs de nabijgelegen rivier de Aa deels omgelegd. Dit alles weerspiegelt het belang dat de sterkte toen had en de macht van de kapitaalkrachtige Van Berlaers.

Helmond kasteel fase1

Rond 1402 was door successieve uitbouw een U-vormig complex met vier hoektorens ontstaan. In de anderhalve eeuw die volgden zouden alle zijden van het binnenplein worden volgebouwd. In de nacht van 10 op 11 februari 1549 verwoestte een brand een groot deel van het kasteel, met name de zuid- en oostzijde. Balklagen en kapconstructies van de daarna gebouwde vleugels dateren dendrochronologisch alle uit 1549. De ridderzaal aan de zuidzijde kreeg een hoogte van liefst dertien meter en werd voorzien van een tongewelfde open kap. De voorgevel werd symmetrisch gemaakt en verkreeg haar huidige vorm.

bouwhistorie in Sint-Oedenrode

Sint-Oedenrode – De burcht van Rode

Het gebeurt niet zo heel vaak dat je als archeoloog de kans krijgt een vroege residentie vrijwel integraal op te graven. In 2006 deed die mogelijkheid zich echter voor in Sint-Oedenrode (provincie Noord-Brabant). Direct ten zuiden van de Martinuskerk, de vroegere Oda-kapittelkerk, wilde de gemeente een terrein ontwikkelen en voorafgaand daaraan zou er bodemonderzoek moeten plaatsvinden. Immers, hier zou de burcht van de heren van Rode hebben gestaan! Een adellijk geslacht van meer dan regionale betekenis en optredend in oorkonden uit de late 11e en de eerste helft van de 12e eeuw. Het terrein lag op een hoge dekzandrug en werd aan drie zijden omgeven door het Dommeldal. Tijdens het onderzoek bleek dat de plek al vanaf het mesolithicum/neolithicum een min of meer continue bewoning kende. Vanaf de Karolingische tijd zijn er duidelijke aanwijzingen voor een permanente nederzetting. De latere patroonheilige Oda zou hier in 726 zijn gestorven en begraven. Maar laten we ons beperken tot de resultaten van het archeologisch onderzoek. We doen dat door achtereenvolgens de drie belangrijkste fasen te bespreken.

Sint Oedenrode woontoren

Op zijn laatst in 1180 kwam de burcht in handen van de graven van Gelre, waarbij de hoofdgebouwen werden gesloopt en de grachten werden gedempt. Er werden nieuwe, bredere grachten en brede aarden wallen aangelegd. Het kerkterrein werd vergroot en voorzien van een nieuwe palissade met mogelijk een apart toegangsgebouw. Door dit alles werd de binnenplaats verkleind tot 37×40 meter. Zowel het dierlijk slachtafval als de restanten van het aardewerk duiden op de bijzondere status van de bewoners in deze periode. Zo werd onder meer botmateriaal van kraanvogel, edelhert, steur en noordkaper aangetroffen.

Sint-Oedenrode-fase1

In 1231 verkocht Otto II van Gelre het ‘graafschap Rode’ aan Hendrik I van Brabant. Het markeerde de derde en laatste fase van de vroege residentie te Sint-Oedenrode. Erg opvallend was dat er nu aan de oostzijde van de versterking een brug kwam te liggen naar een kunstmatig opgeworpen heuvel, die door Peters in diens recente onderzoek wordt geduid als een motte. Het lijkt een wat merkwaardige combinatie: een vroege residentie die werd uitgebreid met een mogelijke motteheuvel aan de oostzijde. Of gaat het hier niet om een motte? We weten het niet. In de tweede helft van de 13e eeuw werden de wallen geëgaliseerd en de grachten gedempt. Dit alles om tussen 1275 en 1300 het terrein opnieuw te kunnen inrichten en aan te passen aan de wensen van de tijd. Het eigenlijke burchtterrein bleef daarbij opvallend leeg. Wel onderscheiden we nu twee belangrijke nieuwe bouwdelen, en wel aan de oostzijde een onderkelderde bakstenen woontoren van 8×10 meter met gebrandschilderde glas-in-lood ramen en leistenen dakdekking, met een aansluitende vleugel. Aan de westzijde vinden we het omstreeks 1400 gebouwde en in 1475 alweer vervangen ’s-Hertogenhuis, dat uiteindelijk tot 1912 zou blijven bestaan. Het kerkterrein werd vanaf de 15e eeuw omgeven door een stenen muur op de plaats van de 12e-eeuwse palissade. Gelegen op een groot terrein en omgeven door een brede gracht is deze weidse aanleg van de laatste fase typologisch niet te duiden.

aardewerkonderzoek, huistypologie en daterend onderzoek

Heesch – Hoogstraat

Van 18 juni tot en met 4 juli 2012 heeft BAAC bv binnen het plangebied Heesch Hoogstraat 28-30 (provincie Noord-Brabant) een opgraving uitgevoerd.

Tijdens de opgraving zijn de resten gevonden van een nederzettingsterrein dat zijn oorsprong had in de Karolingische tijd en doorliep tot in de late middeleeuwen. De meeste resten stammen uit de volle middeleeuwen. Behalve middeleeuwse sporen zijn ook sporen uit de nieuwe tijd gevonden. Behalve enig los vondstmateriaal ontbreken resten uit de prehistorie en Romeinse tijd.

Het middeleeuwse nederzettingsterrein waarvan de huidige opgraving een uitsnede vormt is vanaf de eerste helft van de 9e eeuw tot het einde van de 14e eeuw vermoedelijk continu bewoond geweest. Dit is vastgesteld op basis van aardewerkonderzoek, huistypologie en daterend onderzoek. Binnen de opgegraven zone bevonden zich meerdere erven die dateren uit de Karolingische tijd en volle- en late middeleeuwen. Van deze erven zijn de resten teruggevonden in de vorm van plattegronden van huizen en bijgebouwen (schuren, spiekers en hooimijten), waterputten, kuilen, greppels en vondstmateriaal. De structuren, sporen en vondsten kunnen worden ingedeeld in verschillende bewoningsclusters die van elkaar onderscheiden worden op basis van datering en ligging.

Het is interessant om vast te stellen, dat de bewoning op het nederzettingsterrein van de Karolingische tijd tot het einde van de 14e eeuw heeft doorgelopen. De oudste sporen op het terrein bestaan uit een boomstamwaterput, waarvan het hout gekapt is in 824 op basis van dendrochronologisch onderzoek. Uit deze periode zijn ook enkele scherven Badorf en Mayen aardewerk gevonden. De jongste bewoningssporen op het terrein bestaan uit de plattegrond van een huis uit de 14e eeuw en een waterput uit dezelfde periode, die gedateerd zijn op basis van aardewerk en 14C onderzoek. Een dergelijke lange looptijd wordt niet vaak vastgesteld en vaak eindigt de bewoning in of aan het einde van de volle middeleeuwen. Voorbeelden daarvan in de regio zijn bijvoorbeeld Nistelrode – Zwarte Molen, Herpen-Wilgendaal en Bakel-Achter de Molen. Heesch-Hoogstraat vormt hier dus een uitzondering op.

De vindplaats is ook vanwege een tweede ontdekking opvallend te noemen. Er werd namelijk een rechthoekige plattegrond, hier als relict van een huis geïnterpreteerd, gevonden die gedateerd kan worden in de 14e eeuw. Hiervan werden alleen de wandpalen teruggevonden. De staanders waren waarschijnlijk op het maaiveld op stiepen gefundeerd. Zulke huizen zijn daardoor archeologisch gezien slecht zichtbaar en worden zodoende zelden gevonden. Het is dus een belangrijke vondst met zeker kennisrendement op het gebied van de vorm en constructiewijze van gebouwen uit deze periode.

Behalve de hiervoor beschreven middeleeuwse nederzettingsresten zijn in het plangebied ook de resten van infrastructuur gevonden: een noordwest-zuidoost lopende weg met een oorsprong in de volle middeleeuwen en langs de zuidzijde van de opgraving de voorganger van de huidige Hoogstraat. Daarnaast is sprake van perceelsgrenzen uit de nieuwe tijd (palenrijen en greppels). Vermeldenswaardig tenslotte zijn twee diepe kuilen uit de Tweede Wereldoorlog op het noordwestelijk deel van het terrein, die geïnterpreteerd kunnen worden als schuttersputten.

Archeologie Almkerk

Almkerk – Nederlands Hervormde Kerk

Een archeologische begeleiding bij de Nederlands Hervormde Kerk te Almkerk
In opdracht van het College van Rentmeesters van de Nederlands
Hervormde gemeente te Almkerk heeft  BAAC een archeologische begeleiding in de vorm van het documenteren van al vrijgelegde muurresten uitgevoerd op het terrein van de Nederlands Hervormde kerk, gelegen in het historische centrum van het dorp Almkerk (provincie Noord-Brabant). Ten tijde van het onderzoek werd het terrein heringericht/geëgaliseerd. Het doel van het onderzoek was het documenteren van het muurwerk, zonder verder graafwerk te verrichten.

Fase 1: 11de t/m 13de eeuw
De oudste overblijfselen van bebouwing op de
onderzoekslocatie zijn, voor zover tijdens het beperkte onderzoek kon worden vastgesteld, de vermoedelijke restanten van de noordwesthoek van een tufstenen kerk. De datering van deze fase is onbekend en is gebaseerd op het bouwmateriaal en de opvolgende fase die in de 13de eeuw wordt gedateerd.

Fase 2: 13de eeuw
In deze periode werd een opvolgende kerk aangelegd met
mogelijk een zijbeuk aan de zuidzijde. Aan de westzijde werd tegelijk of iets later een tufstenen toren gebouwd, die (gedeeltelijk) tot aan de verwoesting in 1945 bleef bestaan. Aan de noordwestzijde werd tegen de muren van de kerk een aanbouw geplaatst; mogelijk kan aan een functie als een (doop)kapel of sacristie worden gedacht.

Fase 3: 14de eeuw
Het muurwerk met 14de eeuwse steenformaten omvat een
deel van de voorgevel en funderingen voor zuilen, een bakstenen vloer en een fundering met onbekende functie, mogelijk voor een beeld of zij-altaar. De funderingen geven aan dat de kerk was voorzien van twee zijbeuken. Of deze fase terecht in het muurwerk is herkend, is twijfelachtig; het is ook mogelijk dat al het muurwerk met 14de eeuwse steenformaten in een latere periode uit hergebruikt materiaal is opgetrokken. Als dit laatste het geval is, is het waarschijnlijk dat (een deel van) de kerk uit fase 2 tot aan fase 4 in gebruik bleef. Waarschijnlijk werd in de 15de eeuw een koor en transept aan de kerk toegevoegd; dit deel van de kerk valt echter buiten het onderzoeksgebied.

Fase 4: 16de tot 18de eeuw
Tegen het vermoedelijk al bestaande koor en
transept werd in deze periode een schip met twee zijbeuken geplaatst. Hiervan zijn met name de achthoekige basementen van de zuilen aangetroffen die het middenschip van de zijbeuken scheidden. In 1740 blijkt het schip te zijn verdwenen (vermoedelijk is het ingestort). De toren en het koor en transept
bleven tot 1945 bestaan.

Alle tijdens het onderzoek gedocumenteerde muurresten maakten, op verschillende momenten, deel uit van de kerk van Almkerk. Over de vroegste ontwikkeling van de nederzetting en de plaats van de kerk daarin is weinig bekend; beide zijn vermoedelijk ontstaan bij de burcht van de heren van Altena die 250 m ten noordoosten van de kerk gelegen was. Deze burcht wordt voor het eerst in 1230 genoemd, maar tijdens onderzoek is vastgesteld dat op de burcht een tufstenen gebouw heeft gestaan, dat vóór deze datum gedateerd moet worden, mogelijk in de 12de eeuw.19 De datering van het oudste muurwerk dat tijdens het onderzoek is aangetroffen kan doen vermoeden dat de burcht en de kerk te Almkerk in dezelfde periode zijn ontstaan. Een andere mogelijke datering voor de oudste fase vormt de oudst bekende vermelding van Almkerk in de 13de eeuw.
Opvallend is de oriëntatie van de kerk: deze is niet oost-west, maar ligt schuin ten opzichte van de windrichtingen, met de ‘westgevel’ in het zuidwesten. De kerk is gelegen op de in zuidwest-noordoostelijke richting verlopende oeverwal van de rivier de Alm. Mogelijk vormde deze hoger gelegen oeverwal een geschikte, of zelfs de enige geschikte locatie voor de kerk.

Geschiedenis Asten

Asten – De Peel onder vuur

Van 9 tot en met 26 juni 2008 heeft BAAC bv een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd op het plangebied Loverbosch te Asten (provincie Noord-Brabant). De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door de geplande woningbouw, die de in de bodem aanwezige archeologische resten ernstig zal aantasten. Tijdens het veldwerk zijn in totaal 64 proefsleuven van 4 bij 25 meter aangelegd in een verspringend grid. De proefsleuven lopen parallel aan de Koestraat en zijn gesitueerd in een zone met een hoge archeologische verwachting. Tevens zijn drie lange proefsleuven aangelegd in een zone met een lagere archeologische verwachting. Het betreft hier sleuven van vier meter breed en respectievelijk circa 400 meter, 230 meter en 150 meter lang. In totaal is circa 9.520 m2 archeologisch onderzocht.

Lees verder