Fort Vechten

Fort Vechten

Voor de aanleg van een nieuwe toegang tot het 19e-eeuwse Fort bij Vechten, onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, zou de grondwal rond het fort doorsneden worden. Hierbij zou ook de bodem ónder de grondwal geroerd worden, wat een bedreiging vormde voor de aanwezige archeologische resten. Om die reden heeft BAAC in de zomer van 2012 een opgraving uitgevoerd ter plaatse van deze doorsnijding (coupure) van de grondwal.

Impressie van het veldwerk

Impressie van het veldwerk

Het onderzoeksgebied ligt ca. 500 m ten oosten van het Romeinse legerkamp, of castellum, bij Vechten, Fectio genaamd. Dit kamp is aangelegd rond het begin van de jaartelling, direct ten zuiden van de toenmalige Rijnloop, de Oudwulverbroek, op de buitenbochtoever van een grote meanderbocht. Rondom het castellum Fectio bevond zich een zuidelijk en oostelijk kampdorp, de vicus , waar de vrouwen en kinderen, maar ook ambachts- en kooplieden gevestigd waren. Het onderzoeksgebied bevindt zich in de oostelijke vicus.
Hoewel de afgraving van het grootste deel van de grondwal reeds door RAAP aan een archeologische begeleiding was onderworpen, bestond ook het gedeelte dat door BAAC is onderzocht uit opgebrachte grond. Hieronder bevond zich het 19de -eeuwse maaiveld waarop de grondwal rustte. Na het verwijderen van het oude maaiveld werd direct op Romeinse resten gestuit in de vorm van paalkuilen, kuilen, greppels, waterputten, maar ook vondstmateriaal zoals aardewerk, bouwmateriaal, metaal, bot en glas. De aangetroffen resten zijn in drie fasen onder te verdelen:
De oudste vondsten werden gedaan in een crevassegeul die in noordoost-zuidwestelijke richting door het onderzoeksgebied snijdt. Deze vondsten plaatsen de eerste menselijke activiteit in het plangebied tussen circa 40 en 75 na Chr. Echter vanwege het ontbreken van sporen die met zekerheid een dergelijke datering kennen, is onbekend wat de precieze aard van deze activiteiten was. Wel werd in de lengterichting van de crevassegeul een achttal houten palen aangetroffen die zijn geïnterpreteerd als onderdeel van een beschoeiing. Tevens werden in de geul enkele palen aangetroffen die in verband worden gebracht met visserij, zoals een staand want. De vondst van enkele netverzwaringen en een stuk touw (mogelijk van een visnet) bekrachtigen dit vermoeden.
Tussen 75 en circa 150 na Chr. verandert het gebruik van het terrein, wat tot uiting komt in greppels, (paal-)kuilen en een beerput in en langs de reeds opgevulde crevassegeul. De sporen hebben allen een noordoost-zuidwestelijke oriëntatie en vormen mogelijke percelen die bekend zijn uit andere vindplaatsen van vici in het Nederlands rivierengebied. Aanwijzingen voor daadwerkelijke vicushuizen, ofwel Streifenhäuser, zijn binnen het onderzochte gebied niet aangetroffen. Vermoedelijk zijn hier de achtererven aangetroffen, waar mogelijke bijgebouwen, ovens, kuilen en putten gelegen waren.
De derde fase beslaat de periode tussen 150 en 300 na Chr. Tijdens deze fase nemen de archeologisch traceerbare activiteiten af en worden enkel nog twee waterputten en een kuil aangetroffen. De precieze aard van het gebruik van het terrein in deze periode is onbekend.

Houten schrijfplankje

Houten schrijfplankje

Hoewel slechts een zeer klein deel van de vicus van Fectio is opgegraven, is er wel een poging gedaan de resultaten van dit onderzoek in een groter kader te plaatsen. In de aangetroffen resten is namelijk vastgesteld dat de huizen mogelijk een noordoost-zuidwestelijke oriëntatie hadden. Met die wetenschap kan een voorzichtige reconstructie gemaakt worden waar de weg, waarop deze huizen georiënteerd waren, gelegen kan hebben. Hieruit is gebleken dat de eventuele weg waarschijnlijk de oostelijke oude oeverwal van de (in de Romeinse tijd reeds verlande) Mast-meander gevolgd heeft. Dit geeft aan dat deze oude meander nog een zichtbaar element in het landschap is geweest en mogelijk zelfs een onbewoonbaar gedeelte van de vicus heeft gevormd. In dit licht kan een ontdekking van generaal Marcella tijdens de bouw van het waterliniefort nog eens bekeken worden. De generaal sprak van de vondst van een verlande rivierbedding (waarschijnlijk de Mast-meander), waarin twee bruggenhoofden waren gebouwd. Blijkbaar was de meander niet goed te betreden, waardoor de noodzaak zich voordeed tot het bouwen van een brug. De aanwezigheid van een brug geeft aan dat er een oost-west georiënteerd wegtracé aan de zuidzijde van de vicus zal hebben gelopen. De vermoede weg langs onderhavig plangebied kan een aftakking zijn van deze oost-westelijke weg, die als hoofdtracé van de limesweg zou kunnen worden geïnterpreteerd.

Glazen meloenkralen met metalen tussenstuk

Glazen meloenkralen met metalen tussenstuk

Maastricht

Maastricht, Stationsgebouw aan de Parallelweg

Aan de Parallelweg in Maastricht, aan de overzijde van de percelen met de huisnummers 14-42, is een nieuwe parkeergarage gebouwd. De voormalige P&R-locatie naast station Maastricht is hiermee vervangen door een half verdiept aangelegde parkeerkelder. Uit archeologisch onderzoek voorafgaand aan deze werkzaamheden is gebleken dat het plangebied zich in een zone bevindt waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt voor overblijfselen uit de Romeinse tijd tot en met de 19e eeuw. In het bijzonder konden restanten van vestingwerken en van een 19e-eeuws spooremplacement met stationsgebouw worden verwacht. De exacte ligging van het stationsgebouw was niet bekend.
Om deze archeologische verwachting te toetsen werd een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek werden een zone met paalsporen, kuilen met aardewerk en funderingen van station Wyck II (1856-1884) aangetroffen. De zone met paalsporen en de resten van Wyck II zijn vervolgens, voor zover ze binnen het plangebied waren gelegen, middels een opgraving gedocumenteerd. Behalve de opgraving op zojuist genoemde locaties is ook een deel van de werkzaamheden voor de aanleg van de parkeerkelder archeologisch begeleid en gedocumenteerd volgens het protocol opgraven. Tijdens deze begeleiding zijn de aardewerkconcentraties nader onderzocht.

Maastricht

Maastricht

Het cluster paalsporen dateert mogelijk uit de Romeinse tijd. Het weinige Romeinse aardewerk dat in de directe omgeving van het cluster paalsporen is gevonden, is mogelijk te relateren aan deze sporen. Er kon geen structuur uit het cluster paalsporen worden herleid. Tijdens het archeologisch onderzoek is ook een greppel aangetroffen waarvan de ligging overeenkomt met een perceelsgrens die op de kadastrale kaart van 1811-1830 staat opgetekend. De greppel is niet nauwkeuriger te dateren dan in de late middeleeuwen of de nieuwe tijd. De verwachte sporen van de vestingwerken (die ook ter hoogte van historische en topografische staat weergegeven) zijn niet waargenomen.
De aangetroffen sporen uit de nieuwe tijd behoren tot een 19e-eeuws stationsgebouw. Het gaat om het stationsgebouw en het stationsplein van station (Maastricht) Wyck II, dat in gebruik was in de periode 1856-1884. De exacte ligging van dit station was voorafgaand aan het archeologisch onderzoek niet bekend. De funderingen en enkele kelders van het station bleken binnen het plangebied nog vrij volledig bewaard te zijn gebleven, waardoor de ligging van het station is vastgesteld. De diverse functies binnen het gebouw zijn op basis van een plattegrond uit 1873 bekend, maar zijn niet op basis van de archeologische resten te herkennen. Ook is het niet bekend hoe het stationsplein was ingericht en hoe het werd gebruikt. Er kon enkel vastgesteld worden dat er enkele structuren moeten hebben gestaan

Maastricht

Met het plotten van een plattegrond van station Wyck II uit 1873 op de allesporenkaart blijkt dat het station voor bijna de helft in de opgravingsput is aangesneden. De andere helft is gesitueerd buiten het plangebied, op het terrein van de Nederlandse Spoorwegen. Dit deel van het stationsgebouw kan dus nog verwacht worden bij eventuele werkzaamheden aldaar.
Tijdens het archeologisch onderzoek zijn verschillende vondsten gedaan waarin aardewerk een groot aandeel heeft. Ten westen van het stationsgebouw bevond zich een ophogingslaag met productieafval van twee Maastrichtse aardewerkfabrieken, Clermont & Chainaye (1851-1859) en Guillaume Lambert (1859-1863), aangetroffen. Wanneer de ophoging is aangebracht, kon niet worden vastgesteld. Ook zijn veel fragmenten glas en steen aangetroffen.

Maastricht

bakel

Bakel, De Zorgboog

Bij geologisch onderzoek naar de Peelrandbreuk door de Geologische Dienst Nederland TNO en de Vrije Universiteit Amsterdam heeft BAAC bv een archeologische begeleiding uitgevoerd.  De Peelrandbreuk is een breuklijn die het tektonisch opheffingsgebied van het Peelblok van de lager gelegen Roerdalslenk scheidt. De Peelrandbreuk volgt grofweg de lijn Roermond – Meijel – Liessel – Deurne – Bakel – Gemert – Uden – Heesch. Langs de breuklijn vindt nog steeds beweging plaats. Een gevolg daarvan was bijvoorbeeld de aardbeving bij Roermond in april 1992.

Het geologisch onderzoek vond plaats in het kader van het project “Breuken Beleven” en stond onder leiding van Marcel Bakker (TNO) en prof. Ronald van Balen (VU). Door de projectgroep “Breuken Beleven” werd gezocht naar mogelijkheden om het breukenlandschap van Noord- Brabant als een unieke kernkwaliteit onder de aandacht te brengen. Ook wetenschappelijk onderzoek en educatie maakten hier deel van uit. Tijdens het geologisch onderzoek dat plaatsvond op het terrein van de Zorgboog in Bakel (gemeente Gemert-Bakel) is de breuk daadwerkelijk in de drie meter diepe sleuf bloot gelegd. Het was pas de tweede keer dat in Nederland een dergelijk onderzoek aan de Peelrandbreuk is uitgevoerd.

Voor het terrein waar het geologisch onderzoek plaatsvond, bestond een hoge archeologische verwachting. Omdat mogelijk aanwezige archeologische resten door de graafwerkzaamheden verstoord zouden worden, is besloten om een archeologische begeleiding uit te voeren van de graafwerkzaamheden in de archeologisch interessante lagen. Hierbij werden overigens geen sporen of vondsten van archeologisch belang gevonden.

Peelrandbreuk Bakel TNO

De Peelrandbreuk zoals deze zichtbaar was in het profiel van de circa 3 meter diepe sleuf. De breuk is te herkennen aan verticale breukstructuren. De roestvlekken zijn kenmerkend; langs de breuk treedt ijzerhoudend water aan de oppervlakte. Deze natte gebieden langs breuken staan bekend als wijstgronden. Foto: Pieter van der Klugt, TNO.

archeologisch onderzoek en opgraving Waalwijk

Waalwijk, Brede School

In 2013 heeft BAAC in plangebied Brede School te Waalwijk (provincie Noord-Brabant) naar aanleiding van een eerdere vondst van menselijke begravingen een archeologische opgraving uitgevoerd. De aanwezigheid van deze begravingen was een volkomen verrassing, aangezien in de directe nabijheid van het plangebied geen kerk aanwezig is of is geweest, en ook wordt hier op oude kaarten geen begraafplaats aangegeven. Het plangebied is gelegen in de wijk Besoijen in het westen van Waalwijk.

De opgraving werd uitgevoerd om vragen zoals wie er begraven waren, wanneer dat is gebeurd en waarom te kunnen beantwoorden. Uit het onderzoek blijkt dat de graven dateren uit de tweede helft van de 15e eeuw of wellicht nog eerste helft 16e eeuw. In totaal zijn zeven graven op een rij aangetroffen, over een lengte van ongeveer 10 meter. De graven waren oost-west georiënteerd, waarbij het hoofdeinde zich bevond in het westen en het voeteneinde in het oosten. De personen waren gewikkeld in los riet of in rieten matten. Doodskisten ontbraken. Wel zijn in één van de graven aanwijzingen gevonden voor een lijkbaar. De doden hadden vermoedelijk een hoofdkussen waarin veenmos was verwerkt. De vondst van een nestel in één van de graven wijst er op dat deze persoon gekleed was.

Eén van de individuen was een vrouw, van de overige personen kon het geslacht vanwege de slechte staat van het botmateriaal niet meer worden vastgesteld. Twee individuen zijn ouder dan 18 jaar geworden en een derde persoon is tussen de 23 en 40 jaar oud geworden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor kindgraven. Het onderzoek heeft geen gegevens opgeleverd over de doodsoorzaak van de overledenen. Wel kon nog goed onderzocht worden wat de mensen vlak voor hun dood hadden gegeten. Wie deze mensen waren is uit het onderzoek niet verder duidelijk geworden. Vanwege de datering van de begravingen lijkt het in ieder geval niet te gaan om joodse mensen, Staatse soldaten of slachtoffers van de St Elisabethsvloed, hetgeen eerder een theorie was.

archeologische opgraving voor onderzoek in Leersum

Leersum, Middelweggebied

In het plangebied Middelweggebied te Leersum (provincie Utrecht) heeft BAAC een archeologische opgraving uitgevoerd. De reden voor het archeologisch onderzoek was de geplande nieuwbouw van een aantal woningen. Tijdens eerder onderzoek op deze locatie waren aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van meerdere huisplaatsen uit de ijzertijd. Tijdens de opgraving zijn tot verrassing van de onderzoekers niet alleen bewoningsresten uit de ijzertijd gevonden, maar ook uit de vroege bronstijd, Romeinse tijd en Merovingische tijd. Daarnaast is sprake van enkele losse vuursteen- en aardewerkvondsten uit het laat-neolithicum tot de (vroege) bronstijd.

De oudste sporen op het terrein dateren uit de vroege bronstijd en bestaan uit enkele kuilen. In één van deze kuilen werd zowel aardewerk van de Wikkeldraadbekercultuur als de Hilversumcultuur gevonden hetgeen niet vaak voorkomt in Nederland.

Uit de vroege tot midden-ijzertijd stammen twee erven. Erf 1 bestaat uit een huis van het type Een met ten zuiden daarvan drie grote bijgebouwen en enkele kuilen. Erf 2 uit dezelfde periode bestaat uit een groot bijgebouw of huis met daaromheen een groot aantal spiekers.

In latere eeuwen schoof de bewoning in zuidwestelijke richting op: er is dan sprake van een zwerm spiekers uit de late ijzertijd tot vroeg/midden- Romeinse tijd (erf 3). Van erf 4 uit dezelfde periode zijn slechts twee zespalige spiekers teruggevonden. Ten zuiden daarvan zijn een erf uit de Romeinse tijd (erf 5) en een erf uit de overgang van de Romeinse tijd naar de vroege middeleeuwen (erf 6) gevonden.

Uit de Merovingische tijd stamt een huis van het type Odoorn A, met daarbij enkele hutkommen en een hooimijt (erf 7). Het huis wordt gedateerd in de 6e eeuw na Chr. en overlapt met de plattegrond van het huis uit de vroege ijzertijd. In het oosten van de opgraving zijn enkele houtskoolmeilers aangetroffen. Deze locatie moet jarenlang in gebruik zijn geweest, getuige twee meilers die zijn gedateerd in de laat-Romeinse tijd – begin van de vroege middeleeuwen en de vroege middeleeuwen D. Langs de meilers liep in deze periode een weg.

Na het verdwijnen van de bebouwing op het terrein raakte het in gebruik als akkerland, getuige de op het terrein aanwezige akkerlaag. Er zijn geen bewoningsresten uit de late middeleeuwen aangetroffen.

Vermeldenswaardig tenslotte is de aanwezigheid van een oude vegetatiehorizont uit het vroeg-mesolithicum die zich uitstrekt over het gehele onderzoeksterrein. In feite is dit een tweede archeologisch niveau. In deze laag zijn overigens geen archeologische resten aangetroffen.

Archeologisch onderzoek Aalsterhut

A2, Aalsterhut

In het kader van de verbreding van de A2 ten zuiden van knooppunt Leenderheide (provincie Noord-Brabant) heeft BAAC meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd in een smalle strook ten oosten van deze snelweg. Dit terrein valt binnen een beschermd archeologisch rijksmonument waar zich de bekende “Geldrop” vindplaatsen bevinden die dateren uit het laat-paleolithicum (Federmesser en Ahrensburg cultuur). De onderzoeken bestonden uit een oppervlaktekartering, documentatie van een profiel, verschillende booronderzoeken, een onderzoek met proefputten, een vlakdekkende kartering en tenslotte een opgraving van een concentratie vuursteen.

Ter plaatse is een vindplaats van de laat-paleolithische Ahrensburg cultuur onderzocht. De resten ervan bestonden uit een grote hoeveelheid vuurstenen en natuurstenen artefacten, grote en kleine vlekken oker en houtskoolconcentraties. Deze resten bevonden zich in en direct op het zogenaamde Jong Dekzand Ib en zijn afgedekt geraakt door Jong Dekzand II. De vindplaats bleek zich nog in situ te bevinden en is geïnterpreteerd als een activiteitenzone van een (basis)nederzetting. De vondsten van schrabbers, boren en stekers in combinatie met oker en het geringe aantal spitsen suggereren dat specifieke activiteiten werden uitgevoerd, zoals het bewerken of looien van huiden. De vindplaats maakt waarschijnlijk deel uit van de al eerder (deels) onderzochte vindplaats Geldrop 1.

De vindplaats is gedateerd door middel van 14C-dateringen en OSL-dateringen.  Verrassend was de vroege datering van deze Ahrensburg site: chronostratigrafisch valt deze in de eerste helft van de Late Dryas met een meest waarschijnlijke 14C-ouderdom tussen 10.750 en 10.500 14C-jaar BP, ofwel rond 12.400 kalenderjaren voor heden.

Archeologisch onderzoek

Hardenberg – Boren langs de N34

Het onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv heeft een archeologisch booronderzoek uitgevoerd voor het wegtracé langs de N34 tussen het knooppunt ‘De Witte Paal’ ten zuidwesten van Hardenberg tot circa 2,7 km ten zuidwesten van de historische kern van Coevorden (provincie Overijssel). Aanleiding voor het archeologische onderzoek zijn de geplande werkzaamheden langs de N34 in het  kader van de verbetering van de provinciale weg. Uit het in 2012 door BAAC uitgevoerde bureauonderzoek is gebleken dat een groot deel van het tracé een middelhoge tot hoge verwachting op  het aantreffen van archeologische vindplaatsen heeft. De aanbeveling uit dat rapport betrof een verkennend booronderzoek uit te voeren. In overleg met de bevoegde overheid is besloten om het booronderzoek zowel verkennend als karterend in te steken.

Hardenberg

Hardenberg
Uit het booronderzoek, waarbij in totaal 717 boringen zijn geplaatst, is gebleken dat de bodem ter plaatse van een groot deel van het tracé intact is (ruim 60%). Indien de geomorfologische en bodemkundige ligging op die locaties waar de bodem deels intact is, gunstig is, kan een archeologische vindplaats aanwezig zijn. Dit geldt binnen het plangebied voor de aanwezige dekzandruggen en –welvingen en het met stuifzand bedekte dekzandgebied. Aan deze gebieden is een hoge archeologische verwachting toegekend. Aan de randzones rond de dekzandruggen is een middelhoge verwachting toegekend. De lager gelegen delen van het plangebied waren dermate nat, dat hier geen resten van nederzettingen en/of begraving worden verwacht. Wel kunnen hier aan water gerelateerde vondsten aanwezig zijn. De kans op het aantreffen van dergelijke resten is echter zeer gering. Op die locaties waar karterend is geboord maar waar geen  archeologische indicatoren zijn aangetroffen, worden geen vindplaatsen verwacht. Dit geldt eveneens voor de locaties die tot diep in de archeologisch relevante bodemhorizont zijn verstoord. Hier is de verwachting naar beneden toe bijgesteld tot een lage verwachting.

Hardenberg meanderbocht

archeologische opgravingen

Gent – Hogeweg

De opgraving te Gent-Hogeweg (Vlaanderen) is rijk aan archeologische informatie gebleken. Ondanks de weinig complexe oversnijdingen en het open beeld in het vlak is het resultaat een puzzel gebleken die voornamelijk is veroorzaakt door de compacte tijdspanne die vooral door de bewoningssporen wordt vertegenwoordigd. Alle bewoning dateert tussen 800 v. Chr en 100 na Chr.

Gent sporen

Het beeld van midden-bronstijd grafvelden is vrij gekend en past mooi in het beeld dat te Oost- en West-Vlaanderen reeds was opgebouwd na de opgravingen te Oedelem en Waardamme. Bovendien past deze traditie ook in de ruimere traditie die in de rest van België en Nederland is geattesteerd. Ook het feit dat deze grafvelden dikwijls hun oorsprong kennen in een laat-neolithisch “stichtersgraf” is hier geattesteerd. De verschillende grafmonumenten variëren in grootte en opbouw. Er zijn kringgreppels aangetroffen met een diameter van amper 7 meter terwijl de grootste diameter 52 meter bedraagt. Er zijn meervoudige grafmonumenten maar evengoed enkelvoudige grafmonumenten. De meervoudige grafmonumenten bestaan uit twee, drie kringgreppels of twee kringgreppels en een palenkrans. Een grafmonument met palenkrans wordt eveneens vermoed bij vier palen die een ronde zone net aan de zuidelijke putwand lijken af te bakenen. Dat het grafveld met enige zekerheid doorloopt onder het bosje La Sapinière is bewezen door nog een tweede slechts gedeeltelijk aangetroffen kringgreppel. Een halve kringgreppel in het oosten wijst mogelijk eveneens op een uitbreiding aan die kant. Geen van de grafmonumenten leverde nog informatie over het heuvellichaam en slechts KG16 wees op een fasering in de aanleg van het meervoudige grafmonument,
waarbij de buitenste kringgreppel het restant is van een  laat-neolithisch exemplaar terwijl de centrale begraving een datering in de midden-bronstijd A aangeeft. Deze begraving is het enige graf gerelateerd aan een dergelijke grafstructuur, er zijn nergens secundaire begravingen vastgesteld.

Gent grafcirkel

Het grafveld is aangelegd op een ideale locatie voor grafvelden uit die periode. De uitloper van een dekzandrug is ideaal voor de aanleg van een grafmonument dat gezien moest worden van een afstand en van waaruit men ook een zicht had op de verre omgeving. Dat de grafheuvels nog een lange tijd zichtbaar moeten geweest zijn, blijkt uit verschillende elementen. Vooreerst zijn twee parallelle greppels aangetroffen met een rituele of funeraire functie en die duidelijk gericht waren op een oude grafheuvel. De kringgreppel van deze grafheuvel was reeds gedicht bij het graven van de greppels en het lichaam van deze grafheuvel was reeds lichtjes verplaatst naar het oosten onder invloed van de noordwestenwinden. Een dergelijk fenomeen is eerder reeds geattesteerd te Ursel waar bij het heruitgraven van de kringgreppel een verschuiving plaatshad van de kringgreppel en waar in latere tijden een enclosure rond het lichaam werd aangelegd die eveneens een verschuiving naar het oosten weergaf. Ten tweede is geen enkel bewoningsspoor uit latere tijden in het centrum van de kringgreppels gevonden. Alle bewoningssporen vermijden de centrale punten van deze greppels als zou daar een obstakel liggen. Het is natuurlijk wel mogelijk dat er wel degelijk gebouwd is op de grafheuvels. Deze deze sporen zijn dan samen met het grafheuvellichaam verdwenen met het nivelleren van het terrein, dat vermoedelijk pas grootschalig werd toegepast in de late middeleeuwen. Het ontbreken van de oude akkerlaag ter hoogte van het eerste grafmonument wijst eveneens in deze richting.

Gent waterput

De bewoning heeft zich pas vanaf de vroege ijzertijd op de locatie gevestigd. Met vijf woonhuizen is het gebied op dat ogenblik dun bevolkt, wat ook gewoonlijk is in deze periode. Vermoedelijk is geen van deze huizen gelijktijdig bewoond geweest. Met slechts een enkel woonhuis uit het begin van de late ijzertijd wordt de start gegeven voor een vrij drukke bewoningsfase in de late ijzertijd en vroeg-Romeinse tijd. Tal van huizen, bijgebouwen en spiekers situeren zich voornamelijk in het oosten van het terrein waar mogelijk een aftakking van de Romeinse weg naar het zuiden de ontsluiting van deze bewoning vormde. Bewoningssporen uit de daaropvolgende periodes ontbreken volledig. Enkel de Romeinse weg lijkt een jongere fasering te hebben waarbij de Romeinse afwateringsgreppels reeds waren gedicht en het wegtracé een breder en meer onregelmatig verloop kent. Een datering aan deze  fase is niet toegekend wegens gebrek aan vondstmateriaal. Men kan zich inbeelden dat het hier gaat om de weg naar Slote via Slotenkouter, waarvan het opgravingsterrein deel uitmaakt. De functie als akkerland is dan waarschijnlijk aangehouden waarbij vanaf de late middeleeuwen ook de bemesting toenam en het beploegde dek dikker werd. De vondst van een hooimijt bevestigt in ieder geval de nabijheid van een hooiweide in de late middeleeuwen. Pas in de 20e eeuw kent het terrein een nieuwe  functie: die van verdediging van het havengebied en rangeerstation in de Tweede Wereldoorlog. Verspreid over het terrein is een volledig loopgravencomplex aangetroffen, een mogelijke schuilkelder en vier bomkraters getuige van het bombardement op het rangeerstation in 1945. Ter hoogte van waar nu La Sapinière ligt, zijn ook de uitbraaksleuven gevonden van het ‘bloedkot’.

Gent loopgraaf

bouwhistorie moated site

Tilburg – Moerenburg

Ook de moated sites worden doorgaans meegenomen als men spreekt over kasteeltypen. We verstaan hieronder simpelweg omgrachte terreinen met stenen bebouwing die enige mate van bescherming konden bieden tegen rondtrekkende roversbenden, maar zeker niet geschikt waren een werkelijke belegering te doorstaan. Het geheel moest vooral de status van de eigenaar benadrukken.

Moerenburg-plattegrond

Als voorbeeld dient huis Moerenburg te Tilburg (provincie Noord-Brabant), dat van de 14e tot in de 17e eeuw als pastorie in gebruik was. Dat doet dus recht aan de hierboven gegeven karakteristiek dat een moated site vooral een statusverhogend bedoeling had en niet primair op defensie was gericht. De exacte ligging van de moated site Moerenburg was tot aan 2005 onbekend. In dat jaar kwam zij door toeval aan het licht. Oorspronkelijk was het huis gelegen in het beekdal van de Leij.

Moerenburg-beschoeiing

We behandelen alleen de beide oudste fasen, waarvan de eerste is te dateren kort voor 1358. Er stond toen een bakstenen huis op een vierkant eiland omgeven door een brede gracht. De funderingsaanleg was 1,20 meter zwaar en de muren stonden direct in de gracht. In deze fase bezat het huis zeker nog enige defensieve betekenis. In de tweede helft van de 15e eeuw vond sloop en herbouw plaats, min of meer op dezelfde plaats, maar met minder dikke muren. Nu werd een beschoeid voorland aangelegd. Hiervoor werden enkele eikenhouten palen door de bakstenen fundering van fase 1 geheid. Op het voorland werd tijdens het archeologisch onderzoek veel rijk vondstmateriaal aangetroffen. Dit werd overdekt door een brandlaag uit het midden van de 16e eeuw. In 1680 vond nog een grootscheepse nieuwbouw plaats, waarna het huis omstreeks 1750 geheel werd gesloopt.

 

De bouwhistorie

Groesbeek – Drie opeenvolgende woontorens

In 2005 werden te Groesbeek (provincie Gelderland) de restanten van drie elkaar opvolgende woontorens opgegraven. Zij vormden echter niet de oudste fase van kasteelbouw in het dorp. In 1990 was namelijk westelijk van de site al de aanleg van een op hout gefundeerd rechthoekig tufstenen gebouw uit het laatste kwart van de 10e eeuw blootgelegd. Vanwege deze vroege steenbouw gaat men er vanuit dat het hier handelt om een rijkshof die diende als verblijf voor koning of keizer tijdens jachtpartijen in het omringende bosgebied. Nadat de nog te bespreken woontorens buiten gebruik waren geraakt werd in het midden van de 16e eeuw (mogelijk 1555) op de plaats van deze 10e-eeuwse hof een nieuw kasteel gebouwd.

Dan de woontorens. De eerste vermelding van een heer te Groesbeek stamt uit 1258. Er is dan sprake van ‘miles’(ridder) Johannes de Gronesbeke. Hij was het waarschijnlijk die in 1265 in het dal van de Groesbeek een houten woontoren op een rond zandplateau liet aanleggen. De flanken van het zandlichaam waren als een soort beschoeiing voorzien van twijgen. De centrale houten toren rustte op acht ingeheide houten palen en mat 6,20×6,20 meter. Mogelijk bestond het opgaand werk uit vakwerk met leempleister. Om de toren was een rondlopende houten palissade met een diameter van vijftien meter aanwezig, aan de binnenzijde voorzien van een houten looppad (weergang) op het maaiveld.

Groesbeek

In 1301 werd de toren vervangen door een grotere, eveneens in hout opgetrokken toren van 10,4×9 meter. De toren was door de toepassing van hout in die tijd al archaïsch te noemen. De fundering was anders dan die uit de eerste fase: nu waren er vele houten palen op onderlinge afstand van één tot anderhalve meter ingeheid. Dit duidt op een ander soort opbouw.

Groesbeek

Omstreeks 1343 werd ook de tweede houten toren vervangen en wel door een exemplaar in baksteen met dezelfde afmetingen. De datering is overigens gebaseerd op een schatvondst van munten die als bouwoffer in de fundering was gemetseld. De houten palen van fase 2 dienden als basis voor een kespenraster waarop de bakstenen kistmuur werd aangelegd. De buitenzijde bevatte zowel baksteen als natuursteen in wild verband, waarbij hergebruik niet is uitgesloten. Het opgaand werk was circa 60-80 centimeter zwaar. De rondlopende palissade werd vervangen door een diep gefundeerde vierkante weermuur zonder steunberen aan de binnenzijde. Dat laatste duidt op een weergang op houten korbeels. De toren zelf was gedekt met groene leien in Maasdekking. Aan de westzijde – tussen toren en weermuur – werd later een keukenbouw met broodoven gerealiseerd. Omstreeks 1400 werd de toren gesloopt en het terrein genivelleerd.