meestoof

Meestoof De Nijverheid, Kapelle

Meestoof De Nijverheid aan het begin van de twintigste eeuw. In het linker woonhuisje bevond zich de opening van de stookplaats.

In april 2013 werd een non-destructief onderzoek verricht naar de voormalige meestoof De Nijverheid in het kerkringdorp Kapelle. De meestoof heeft de status van rijksmonument.

Meestoven waren fabrieksgebouwen waar de wortels van de meekrapplant werden verwerkt tot poeder. Dit poeder vormde de basis voor kleurstoffen (van bruin tot rood) die met name in de textielindustrie werden gebruikt. Veranderingen binnen het productieproces hebben ervoor gezorgd dat de industrie, en daarmee de meestoven, in Zeeland zijn verdwenen.

Meekrap

MeekrapMeekrap is een van oorsprong uitheemse plant waarvan de wortels een rode kleurstof bevatten waar deze plant bekend om staat. In 1826 werd de hieruit afgezonderde kleurstof bekend als alizarine. Uit keuren blijkt dat al in de twaalfde eeuw sprake is van teelt van dit gewas in Zeeland. Het delven van de wortels was een zwaar karwei, en daarom relatief goed betaald. In enkele keuren werd bepaald dat met het delven van de meekrap niet vóór een bepaalde datum mochten worden aangevangen. Dit om ervoor te zorgen dat de arbeiders eerst hun verplichtingen nakwamen voor de graanoogst en het herstellen van de dijken. Vanaf de veertiende eeuw tot aan de achttiende eeuw was Zeeland hét productiegebied. De industriële revolutie zorgde voor een bloei van de meekrapproductie rond het midden van de negentiende eeuw. Hierna zette een gestage neergang in die zowel het gevolg was van het uitbreken van de Amerikaanse Burgeroorlog, waardoor de aanvoer van katoen stokte, maar ook door de ontdekking in 1868 hoe de kleurstof via een chemische proces verkregen kon worden. Toen de oorlog in Amerika voorbij was, en de handel rond 1865 weer aantrok, zagen fabrikanten hun productie en omzet weer snel stijgen. Maar men was er zich van bewust dat de ontwikkeling van de synthetische kleurstof een bedreiging van de industrie was. Desondanks was er rond de tijd dat De Nijverheid werd gebouwd (het laatste kwart van de negentiende eeuw) sprake van een nieuwe oprichtingsgolf van meestoven en garancinefabrieken (het geconcentreerde pigment uit de meekrapwortel). De Nijverheid is een exponent van deze laatste bouwgolf.

Het productieproces in vogelvlucht

Nadat de meekrap was gedolven en enige dagen in de buitenlucht was gedroogd, werden de wortels vervoerd naar de meestoven. De meestoof was een gebouw dat bestond uit een aantal vaste onderdelen waar de productie plaatsvond. Ze werden gebouwd en gebruikt door corporaties van tien tot twintig boeren, om de hoge bouwkosten te spreiden. In de koude stoof werden de wortels opgeslagen. Dit deel was zo ingedeeld dat iedere boer zijn eigen vak (tas) had. Door de luiken in de zijgevels werden de wortels naar binnen geworpen. Op volgorde van binnenkomst werden vervolgens de wortels gedroogd in de droogtoren. Deze toren had een aantal lage zolders waarop de wortels uitgespreid werden. Doormiddel van een oven werden de wortels gedroogd. De oven werd beheerd door de droger die in een aangebouwd huisje (zogeheten heerlijkheid) woonde om een oogje in het zeil te houden en de tempratuur te reguleren. Het drogen was een secuur proces dat dag en nacht doorging.

Na het drogen werden de wortels op de dorsvloer gelegd die zich naast de droogtoren bevond. Hier werden de wortels met vlegels in stukjes geslagen, en gezeefd. Vervolgens werden deze stukken naar de eest verplaatst. Dit was een langwerpige oven waar de stukken andermaal, maar nu warm, werden gedroogd. Het hierdoor ontstane halffabrikaat heette garancine. Als laatste onderdeel van de bewerking werden de stukken verpulverd door een rosmolen met stampers in het stamphuis.

De meestoof ten tijde van het bouwhistorisch onderzoek.

De meestoof ten tijde van het bouwhistorisch onderzoek.

De Nijverheid

De voormalige meestoof De Nijverheid, gebouwd op een T-vormig grondvlak, bevindt zich in de zuidelijke gevelwand van de Ooststraat, één van de middeleeuwse toegangswegen tot de kerkring.
In 1871 werd door Adriaan Nijssen Az. meestoof De Nijverheid opgericht, als onderdeel van de oprichtingsgolf die vanaf het einde van de jaren zestig plaatsvond. Nijssen tekende in zijn bouwaanvraag op dat het een gebouw zou moeten worden waar niet alleen alizarine kon worden geproduceerd, maar vlas verwerkt. Dit was om het gebouw zo optimaal mogelijk te kunnen gebruiken, aangezien het bewerken van de meekrap namelijk maar een klein deel van het jaar plaatsvond. Evengoed valt ook niet uit te sluiten dat Nijssen in zijn achterhoofd hield dat de productie van krappoeder zoals dat in de voorafgaande decennia plaatsvond, op z’n einde liep en hij met de bewerking van vlas zijn risico wilde spreidden.

De bouw verliep voorspoedig. De aanvraag werd op 30 juni goedgekeurd en in september, juist op tijd voor de meekrapcampagne, kon de stoof in gebruik worden genomen. Bij de bouw werd ruim gebruik gemaakt van secundair materiaal.

Vanwege de industriële functie werd bepaald dat het gebouw op voldoende afstand van de openbare weg en de belendende percelen zou komen te staan. De locatie waar de meestoof werd gebouwd was vermoedelijk niet toevallig gekozen, maar omdat de locatie gunstig was: op nog geen honderd meter afstand van de Maalstede, een oude weg die aansloot op de achttiende-eeuwse Postweg. Deze Postweg vormde een belangrijke handelsroute die via het Kanaal verder liep tot aan de Oosterschelde. Zo konden dus de producten op efficiënte wijze gedistribueerd worden.

De Nijverheid week op bepaalde punten af van andere meestoven. Het was geen coöperatie, en het had geen dorsvloer of stampvloer, er werden namelijk alleen de wortels gedroogd. Het verdere productieproces vond in fabrieken elders plaats. Ook het ontwerp van het gebouw week af van de reeds gebouwde meestoven. Doorgaans werden deze gebouwd naar zeer sobere, traditionele ontwerpen. De functionaliteit van het gebouw was belangrijker dan een representatieve uitstraling. De Nijverheid werd echter gebouwd naar een ontwerp waarbij het voorgevelfront werd uitgevoerd met lisenen en rondboogfriezen. Welke (lokale) architect of aannemer het ontwerp heeft geleverd is niet bekend.

Andere onderdelen waren juist kenmerkend voor het gebouwtype. Zoals de droogtoren met oven, de koude stoof aan de achterzijde van de toren en de woonvertrekken van de droger aan weerszijden van de toren. Deze woonhuisjes maken dat de meestoof een T-vormige plattegrond kreeg.

De koude stoof was in vergelijking met andere stoven relatief klein en was door middel van stijltjes onder de moerbalken verdeeld in tien tasvakken. Deze indeling is nu niet meer aanwezig maar aan de zijgevels van de koude stoof laat de indeling zich aflezen. Per vak is één luikopening aanwezig waardoorheen de meekrap naar binnen werd geworpen. Eén deel van het eerste balkvak, tegen de achterzijde van het linker woonhuisje, was in gebruik als paardenstalling. De zolder van de koude stoof diende voor de opslag van goederen en mogelijk ook voor het verwerken van vlas.

Entree van de droogtoren.

Entree van de droogtoren.

De droogtoren bestond uit een grote oven en enkele lage zolders daarboven. Een aantal rookkanalen die straalvormig vanuit de oven ontsprongen zorgden voor een gelijkmatige verspreiding van de warmte. De temperatuur in de oven kon verder gereguleerd worden door afneembare dekstenen op de rookkanalen of de luiken waarmee de schoorsteen in de nok was afgesloten. Centraal in de voorgevel bevond zich een nagenoeg vierkante poortopening met dubbele deur van waaruit de karren met gedroogde wortels uit de toren gereden werden.

De vloeren van de zolders waren bevestigd op een constructie van moer- en kinderbinten. Voor de moerbalken, opgelegd in de zijmuren, werden zowel forse stammen gebruikt, als rechthoekig gezaagde balken. De kinderbinten werden overhoeks in de voor- en achtergevel opgelegd en tussen deze binten werden troggewelfjes geslagen. In de stammen werden voor de oplegging van de binten ondiepe kepen gemaakt.

Centraal werden de zoldervloeren doorbroken door een centrale opening van waaruit, middels een klossenbeen, de zolders betreden konden worden. In de nok, net onder de schoorsteen, bevond zich een windassysteem waarmee de wortels (in een mand) op de zolders werden gebracht.

De droger die in september 1871 werd aangesteld was Jan Pieter Slager afkomstig uit Sint Maartensdijk op het eiland Tholen. De drogers op dit eiland stonden aan het begin van de negentiende eeuw bekend om hun grote vakmanschap. Zij werkten niet alleen in de directe omgeving maar vonden, vaak tijdelijk, emplooi op meestoven in andere plaatsen wanneer het landbouwwerk in het najaar terugliep.

De verschillende onderdelen aangegeven op een recente plattegrond.

De verschillende onderdelen aangegeven op een recente plattegrond.

Jan Pieter Slager nam niet alleen zijn kennis en kunde mee naar De Nijverheid, maar ook zijn vrouw en vijf kinderen. Hoe de kleine huisjes aan weerszijden van de toren ingericht zijn geweest is thans lastig te zeggen omdat deze later tot wagenstallingen zijn verbouwd. Het linker huisje was evenwel het belangrijkste, hier bevond zich de brede opening van de stookplaats (circa 3.30 m breed en circa 1.75 m hoog) van de droogtoren, die dus vanuit het huis gecontroleerd kon worden. Tegen de linker bouwmuur bevond zich een schouw waar gekookt kon worden. Dat het linker huisje het meest belangrijk was, het woord representatief voert vanwege het bescheiden karakter wat ver, kan eenvoudig worden afgeleid uit het feit dat de zolderbalken met een kwartrond profiel werden afgewerkt. De balken in het rechterhuisje werden slechts met een velling afgewerkt. Beide huisjes waren voorzien van twee bedsteden tegen de voorgevel, aan weerszijden van het centrale venster. De balkenplafonds werden afgewerkt met een roodbruine verflaag waar later een groene verflaag overheen gezet werd, behalve bij de bedsteden. Op basis van het bouwhistorisch onderzoek wordt verondersteld dat ook het rechter huisje voorzien is geweest van een stookplaats tegen de bouwmuur.

Jan Pieter Slager en zijn gezin woonden bijna vier jaar in Kapelle. Kort na de bouw van De Nijverheid stortte de prijs van meekrap in als gevolg van grote prijsdalingen die verband hielden met de ontwikkeling van synthetische alizarine. Veel bedrijven gingen failliet. In 1875 hield De Nijverheid als meestoof op te bestaan en de familie Slager vertrok in April terug naar Sint Maartensdijk.

Het gebouw verloor dus de functie van meestoof, maar tot 1877 werd er nog vlas gezwingeld. De toren zal ongetwijfeld ook gebruikt zijn om het vlas te laten drogen. Daarna werd het gebouw, of een deel daarvan, gebruikt als opslag van steenkool en werden twijgen bewerkt ten behoeve van de mandenmakerij.
Zoals beschreven volgde op de meekrap als economische aanjager van het dorp de fruitteelt als belangrijkste economische factor. De Nijverheid werd gebruikt voor het sorteren en opslag van fruit en overige landbouwproducten. Ten behoeve van een koelcel werd in 1964 de oven in de toren gesloopt en werd hier een betonnen koelcel geplaatst. In de voorgevel werden de entree en het laadluik dichtgezet. Mogelijk werden in dezelfde tijd de woonhuisjes verbouwd tot garage/opslag en werden de thans nog aanwezige dubbele deuren geplaatst.
Vanwege de opvallend rijke architectuur werd het pand, samen met nog drie andere gebouwen in Kapelle, in 1966 op de Rijksmonumentenlijst geplaatst.
In de volgende decennia werd de indeling van de koude stoof gesloopt om het vloeroppervlak efficiënter te kunnen gebruiken. Het merendeel van de houten moerbalken werd hierbij vervangen door stalen liggers met een H-profiel. De daken bleken aan het begin van de jaren zeventig in een slechte staat te verkeren en werden vernieuwd. Nijssen wilde in 1974 graag dat de monumentenstatus van het pand werd opgeheven en diende hiervoor een verzoek in dat, tot zijn spijt, niet werd ingewilligd.
Aan het gebruik van de voormalige koude stoof als werkloods kwam in 1982 een einde. In 1986 werden de daken vernieuwd waarbij tevens de fraaie houten bakgoot die de gevels van de toren afsloot werden vervangen door een eenvoudige kunststof goot.
Thans zijn er plannen om de koude stoof tot woonhuis te verbouwen, en de begane grond tot kantoorruimte. In deze plannen wordt getracht zoveel mogelijk te behouden van de bestaande structuren en de bouwmassa.

Michel van Dam

Geraadpleegde literatuur en bronnen
– Dijk- Van der Peijl, A. van: Meekrap vroeger en nu (Middelburg 1984, derde druk).
– Stenvert, R., et al: Monumenten in Nederland, Zeeland (Zwolle, 2003).
– Weijde, A. van der: ‘De verdwenen meekrap-cultuur op Schouwen-Duivenland’ in: Vroegere en latere mededeelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland (Middelburg, 1925).
– Graaf, Th. M.: ‘Meestoven in het algemeen en “De Nijverheid” te Kapelle in het bijzonder’ in: Industriële archeologie, nummer 4, 1984.